Werkzin-e
Nieuwsbrief Departement Werk & Sociale Economie - 13 mei 2015

Conjunctuur & Arbeidsmarkt: Arbeidspotentieel van laaggeschoolden op de Vlaamse arbeidsmarkt

Om de ambitieuze doelstelling van een werkzaamheidsgraad van 76% tegen 2020 effectief te kunnen realiseren, zal het aanwezige arbeidspotentieel optimaal benut moeten worden. De laaggeschoolden zijn één van de kansengroepen waar nog een ruim arbeidspotentieel aan te boren is. Deze groep heeft echter één van de slechtste uitgangsposities op de arbeidsmarkt en is bovendien het kwetsbaarst voor conjuncturele en structurele veranderingen op de arbeidsmarkt. In dit bericht wordt dieper ingegaan op de werkzaamheid van de laaggeschoolden op de Vlaamse arbeidsmarkt, opgesplitst naar leeftijdsgroep en geslacht, en wordt deze vergeleken met de werkzaamheid van midden- en hooggeschoolden.

De omvang van de laaggeschoolde bevolking op arbeidsleeftijd neemt fors af

Hoewel het opleidingsniveau van de bevolking het afgelopen decennium sterk is gestegen, was in 2014 nog altijd meer dan één vijfde van de bevolking tussen 20 en 64 jaar laaggeschoold. In absolute aantallen gaat het om 856.900 personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs op een totale bevolking van 3,80 miljoen (tussen 20 en 64 jaar). Hun omvang is de afgelopen tien jaar afgenomen met maar liefst 27,4% (-323.700 personen).

Figuur 1: Evolutie van de bevolking (20-64 jaar) volgens scholingsniveau, Vlaams Gewest, 2004-2014

figuur 1

Bron: ADSEI – Belgium Statistics EAK (Bewerking Departement WSE)

Bij de laaggeschoolden is nog een grote arbeidsmarktwinst te halen

De werkzaamheidsgraad van laaggeschoolden ligt beduidend lager dan die van midden- en hooggeschoolden. Van de laaggeschoolden was 51,8% aan het werk in 2014, tegenover 72,0% van de middengeschoolden en 84,4% van de hooggeschoolden. Binnen elke leeftijds-groep geldt dat de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolden lager is dan die van de mid-den- en hooggeschoolden. In tabel 1 wordt in beeld gebracht in welke mate de verschillende leeftijdsgroepen volgens scholingsniveau de algemene werkzaamheidsdoelstelling van 76% al dan niet bereikt hebben. De leeftijdsgroepen die een arbeidsdeelname van 76% of hoger optekenen, zijn in het groen aangeduid, terwijl de groepen die nog een afstand moeten overbruggen om de 76%-doelstelling te bereiken in het rood zijn gemarkeerd.

Tabel 1: Werkzaamheidsgraad volgens leeftijd en scholingsniveau, Vlaams Gewest, 2014

  totaal laag midden hoog
totaal 71,9 51,8 72,0 84,4
20-24 (excl. stud) 77,4 51,1 80,2 85,6
25-29 83,2 63,3 83,1 88,8
30-34 86,5 61,3 87,8 93,5
35-39 86,5 64,9 86,5 93,3
40-44 87,3 69,2 87,8 93,7
45-49 85,1 70,9 86,1 92,0
50-54 80,3 67,2 81,2 91,1
55-59 63,5 49,6 64,0 82,5
60-64 22,3 14,0 22,6 37,2

Bron: ADSEI – Belgium Statistics EAK (Bewerking Departement WSE)

Uit de resultaten komt duidelijk naar voren dat bij de laaggeschoolden geen enkele leeftijdsgroep erin slaagt om een werkzaamheidsgraad van 76% of hoger te presteren. Tot de leeftijd van 50 jaar geldt dat hoe ouder de laaggeschoolde is, hoe dichter de werkzaamheidsgraad aanleunt bij de 76%-doelstelling. De 44- tot 49-jarigen tekenen de hoogste werkzaamheidsgraad op met 70,9%. De 60-plussers, daarentegen, hebben de laagste werkzaamheidsgraad met 14,0%. De lage werkzaamheid van laaggeschoolde 60-plussers hangt echter samen met hun gemiddeld vroegere intrede op de arbeidsmarkt, waardoor ze ook gemiddeld vroeger uittreden. Ook de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolde jongeren is relatief laag. Slechts één op twee laaggeschoolde jongeren is aan het werk. Bij de midden- en hooggeschoolden, daarentegen, behalen alleen de oudere leeftijdsgroepen geen werkzaamheidsgraad van 76% of hoger. Bij de middengeschoolden geldt dit voor de 55-plussers en bij de hooggeschoolden voor de 60-plussers.

Genderkloof in arbeidsdeelname situeert zich vooral bij laaggeschoolden

Als tevens rekening wordt gehouden wordt met het geslacht, dan blijkt dat vooral de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolde vrouwen achterblijft ten aanzien van de vooropgestelde 76%-doelstelling en dat de genderkloof in de werkzaamheidsgraad zich vooral situeert bij de laaggeschoolden. De genderkloof, berekend als de verhouding tussen de werkzaamheidsgraad van mannen en deze van vrouwen, geeft de ongelijkheid weer (tabel 2). De leeftijdsgroepen waarbij de genderkloof in de werkzaamheidsgraad gelijk of hoger ligt dan 1,20 zijn in het rood aangeduid. Dit betekent dat bij die groepen het aandeel werkende mannen minstens 20% hoger ligt dan het aandeel vrouwen. 
De slechtste scores qua genderkloof zijn voornamelijk terug te vinden bij de laaggeschoolden. Bij deze laatstgenoemde groep wordt een genderkloof opgetekend van minimaal 1,26 tot maximaal 1,42. Bij de middengeschoolden en vooral de hooggeschoolden, daarentegen, zijn de verschillen in arbeidsdeelname tussen mannen en vrouwen veel kleiner.

Tabel 2: Genderkloof in de werkzaamheidsgraad volgens leeftijdsgroep en scholingsgroep, 2014, Vlaams Gewest

  totaal laag midden hoog
totaal 1,13 1,40 1,18 1,04
20-24 (excl. stud) 1,04 1,35 1,08 0,99
25-29 1,02 1,35 1,09 0,99
30-34 1,12 1,55 1,20 1,03
35-39 1,08 1,40 1,11 1,04
40-44 1,08 1,34 1,06 1,05
45-49 1,12 1,26 1,13 1,10
50-54 1,16 1,27 1,20 1,07
55-59 1,25 1,42 1,22 1,12
60-64 1,58 1,34 1,31 1,88

Bron: ADSEI – Belgium Statistics EAK (Bewerking Departement WSE)

De financiële crisis heeft vooral een impact gehad op de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolde jongeren

De impact van de financiële crisis is relatief weinig zichtbaar in de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolden. Tussen 2009 en 2014 bleef de algemene werkzaamheidsgraad van laaggeschoolden schommelen rond 52 à 53%. Opgesplitst naar leeftijd komt echter naar voren dat de schijnbare stabiele werkzaamheid van laaggeschoolden het resultaat is van een toename in de werkzaamheidsgraad van oudere laaggeschoolden (+4,5 ppt.) dat samenliep met een forse afname van de werkzaamheidsgraad van jongere laaggeschoolden (-13 ppt.) en van 25- tot 49-jarige laaggeschoolden (-4,5 ppt). De toename in de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolde 50-plussers heeft vooral te maken met het feit dat 50-plussers steeds langer aan het werk blijven. Voor jongeren die ongekwalificeerd uitstromen uit het onderwijs, wordt het klaarblijkelijk steeds moeilijker om aansluiting te vinden op de Vlaamse arbeidsmarkt.

Figuur 2: Evolutie van de werkzaamheidsgraad volgens leeftijd en scholingsniveau, 2009-2014, Vlaams Gewest

figuur 2

Bron: ADSEI – Belgium Statistics EAK (Bewerking Departement WSE)

Conclusie

Hoewel de omvang van de laaggeschoolde bevolking op arbeidsleeftijd fors afneemt, blijft het een problematische groep met grote uitdagingen. Binnen alle leeftijdsgroepen is het vooral de arbeidsdeelname van de laaggeschoolden die achterblijft ten aanzien van de vooropgestelde 76%-doelstelling. Verder blijkt dat vooral de laaggeschoolde vrouwen nog een grote afstand te overbruggen hebben om de 76%-doelstelling te behalen en de genderkloof in de werkzaamheidsgraad te verkleinen. Ten slotte is tevens naar voren gekomen dat de werkzaamheidsgraad van de oudere  laaggeschoolde leeftijdsgroepen aanhoudend is toegenomen tussen 2009 en 2014, terwijl de werkzaamheidsgraad van de laaggeschoolde jongeren drastisch is afgenomen.

terug naar Werkzin-e