Werkzin-e
Nieuwsbrief Departement Werk & Sociale Economie - 12 oktober 2010

Conjunctuur & Arbeidsmarkt: Je bent jong en je wilt… werk!

Vlaanderen kampt al vele jaren met een jeugdwerkloosheid die veel hoger is dan de gemiddelde werkloosheid, zowel bij laag- als bij hooggeschoolden. Hoe komt dit, en is dit voor alle jongeren even problematisch?

Begin oktober kwam de VDAB met heuglijk nieuws: voor het eerst sinds het begin van de economische crisis is de werkloosheid in Vlaanderen opnieuw gedaald. Vooral jongeren blijken het plots goed te doen: de jeugdwerkloosheid daalde in september met -3,9%, de totale werkloosheid slechts met -1,1%. Sterker nog: de jeugdwerkloosheid daalt al sinds juni van dit jaar.

Nochtans schommelde de jeugdwerkloosheidsgraad in Vlaanderen de voorbije twintig jaar rond een gemiddelde van 12%, meer dan dubbel zo hoog als de totale werkloosheidsgraad, die gemiddeld 5% bedroeg (volgens de ILO-definitie). In de meeste andere Europese landen is de situatie zelfs nog erger. In 2009 bereikte de Vlaamse jeugdwerkloosheidsgraad haar hoogste niveau in de laatste twintig jaar: 15,7%. Als jongeren bij economisch herstel steevast vooraan in de rij staan om de nieuwe jobs in te vullen, hoe verklaren we dan de doorgaans hogere werkloosheid in deze groep?

Grafiek: Werkloosheidsgraad in het Vlaams Gewest (1990-2009)
Grafiek: Werkloosheidsgraad in het Vlaams Gewest (1990-2009)

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE)

Er zijn twee belangrijke redenen voor de hoge jeugdwerkloosheid. Enerzijds is er de moeilijke periode van intrede in de arbeidsmarkt waarbij nogal wat jongeren na het verlaten van de schoolbanken niet meteen vast werk vinden, maar een periode van afwisselend werkloosheid en korte werkperiodes doorlopen. Anderzijds werken jongeren vaker met tijdelijke of uitzendcontracten, waardoor ze regelmatig opnieuw in de werkloosheid belanden. In tijden van crisis bieden dergelijke contracten ook minder bescherming tegen ontslag (last in, first out). Het is omwille van deze twee redenen dat we bij jongeren meer werklozen vinden dan gemiddeld.

De hoge jeugdwerkloosheid is dus grotendeels een bijproduct van de zoektocht naar vast, duurzaam werk. Jeugdwerkloosheid wordt echter problematisch wanneer de zoektocht naar een nieuwe (eerste) baan erg lang aansleept, of wanneer een jongere gedurende jaren van (tijdelijke) job naar job ‘hopt’, zonder z’n carrière in de gewenste plooi te krijgen.

Werkloosheid bij schoolverlaters

Aan de hand van gegevens uit de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) kunnen we de jeugdwerkloosheid opsplitsen tussen ‘schoolverlaters’ en ‘niet-schoolverlaters’. We doen dit door jonge werkzoekenden die één jaar voor het invullen van de enquête nog student, leerling of in beroepsopleiding waren, af te splitsen van de rest. Voorlopig kunnen we deze oefening enkel doen met cijfers van 2008.

Tabel: Werkloosheidsgraden volgens leeftijd en scholingsniveau (Vlaams Gewest, 2008)

  15-64 jaar 15-24 jaar
  Werkloosheids% Werkloosheids% Schoolverlaters % Niet-schoolverlaters %
Laaggeschoold 7,0 20,0 22,1 19,2
Middengeschoold 3,9 9,1 19,2 6,0
Hooggeschoold 2,3 7,1 14,4 2,9
Totaal 3,9 10,5 18,0 7,7

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE)

In de eerste twee kolommen van de tabel vergelijken we de jeugdwerkloosheidsgraad met de totale werkloosheidsgraad. We zien hoe de jeugdwerkloosheidsgraad voor alle scholingsniveaus hoger is dan de totale werkloosheidsgraad. Bij laaggeschoolden is het verschil zelfs bijzonder groot. In de twee laatste kolommen splitsen we de jeugdwerkloosheidsgraad op in ‘schoolverlaters’ en ‘niet-schoolverlaters’. Hieruit blijkt hoe de jeugdwerkloosheidsgraad van 10,5% wordt gevormd door een werkloosheidsgraad van niet minder dan 18% bij schoolverlaters, en 7,7% bij niet-schoolverlaters.

Wanneer we deze laatste cijfers onderverdelen volgens opleidingsniveau worden er duidelijke verschillen zichtbaar. Hooggeschoolde schoolverlaters hebben een werkloosheidsgraad van 14,4%, en niet-schoolverlaters hebben een werkloosheidsgraad van 2,9%, nauwelijks hoger dan de werkloosheidsgraad van de ganse hooggeschoolde beroepsbevolking. Bij laaggeschoolde jongeren – die het middelbaar onderwijs dus niet afwerkten - is de werkloosheidsgraad van niet-schoolverlaters (19,2%) echter bijna even hoog als die van de schoolverlaters (22,1%), en nog steeds bijna drie keer zo hoog als het gemiddelde in de laaggeschoolde beroepsbevolking (7%).

Uit deze gegevens blijkt hoe vooral schoolverlaters een bijzonder hoge werkloosheidsgraad hebben. Dit valt te verwachten, aangezien het gros van de schoolverlaters een periode van werkloosheid doormaken vooraleer zij een eerste job vinden. Hoe hoger het scholingsniveau, hoe lager het risico op werkloosheid in het eerste jaar na het verlaten van de schoolbanken. Deze bevinding wordt door de VDAB bevestigd in zijn jaarlijkse schoolverlatersenquête.

Bij midden- en hooggeschoolde jongeren die al langer dan één jaar geleden de school verlaten hebben, daalt de werkloosheidsgraad naar een niveau dat nog maar licht hoger is dan de totale werkloosheidsgraad bij 15- tot 64-jarigen. Het niveau blijft iets hoger omwille van het vele voorkomen van tijdelijke tewerkstelling. Bij laaggeschoolden is de werkloosheidsgraad echter ook bij de niet-schoolverlaters torenhoog, en is er weinig verschil te merken tussen schoolverlaters en niet-schoolverlaters.

Op welke leeftijd stopt jeugdwerkloosheid?

Wanneer we de werkloosheidsgraden volgens scholingsgraad bekijken in verschillende leeftijdsklassen (zie onderstaande grafiek), zien we hoe de werkloosheidsgraad bij midden- en hooggeschoolde 15- tot 24-jarigen beduidend hoger is dan in de oudere leeftijdsklassen – omwille van de hogere werkloosheid in het eerste jaar op de arbeidsmarkt – en vervolgens daalt naar een relatief constant niveau. Bij laaggeschoolden blijft de werkloosheidsgraad tot op de leeftijd van 30-34 jaar ruim hoger dan bij midden- en hooggeschoolden, en pas op latere leeftijd daalt deze naar een niveau dat enigszins in de buurt komt van het globale gemiddelde.

Grafiek: Werkloosheidsgraden volgens leeftijd en scholingsniveau (Vlaams Gewest, 2009)
Grafiek: Werkloosheidsgraden volgens leeftijd en scholingsniveau (Vlaams Gewest, 2009)

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE)

Jeugdwerkloosheid is dus een probleem dat in de eerste plaats laaggeschoolden treft. De overstap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt verloopt voor hen veel stroever, en het lijkt voor velen beduidend langer te duren vooraleer zij duurzaam aan het werk zijn. Onderzoek heeft aangetoond dat jongeren die in hun eerste beroepsactieve jaren regelmatig geconfronteerd worden met periodes van werkloosheid, ook in hun verdere carrière een beduidend hoger risico op werkloosheid hebben (het zogenaamde scarring). Deze gegevens lijken die conclusie te bevestigen.

Laaggeschoolde jongeren de hand reiken

Eén van de voornaamste redenen voor de vaak moeizame intrede van laaggeschoolde jongeren op de arbeidsmarkt  is dat zij vaak niet over competenties beschikken waar effectief vraag naar is. Jongeren die ongekwalificeerd de school verlaten, beschikken over onvoldoende vaardigheden om vlot ingeschakeld te worden in de arbeidsmarkt. Zij hebben nood aan bijkomende opleidingen om hun kennen en kunnen te vervolmaken. Onder meer de OESO en de Europese Commissie wijzen steeds vaker op het probleem van de NEET-jongeren (Not in Employment, Education or Training).  In 2009 behoorden zo’n 53.000 Vlaamse jongeren tot deze groep, of 7,3% van alle jongeren. Voor deze doelgroep moet een breed netwerk opgebouwd worden en zijn voornamelijk outreachende projecten nodig om hen opnieuw aansluiting met de arbeidsmarkt te laten vinden, voor ze zich in de inactiviteit nestelen.

Er zijn vandaag in Vlaanderen al iets meer dan 3.500 werkzoekenden jonger dan 25 jaar die minstens twee jaar werkzoekend zijn, bijna allemaal laaggeschoolden. Dergelijke jongeren die in hun eerste actieve jaren helemaal niet of nauwelijks werken, hebben de aansluiting met de arbeidsmarkt volledig gemist, en kunnen een zogenaamde ‘verloren generatie’ gaan vormen. De uitdaging voor het beleid is om deze jongeren vooral niet los te laten, maar te investeren in de ontwikkeling van hun competenties, en te vermijden dat zij (permanent) inactief worden. Daarom blijft het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid inzetten op jongeren via de VDAB-werking, ESF-projecten en acties in opeenvolgende werkgelegenheidsakkoorden zoals het recente Werk- en Investeringsplan.

In december 2010 zullen het Departement WSE en het Steunpunt WSE samen het ‘Trendrapport 2010’ publiceren, waarin ondermeer dieper zal ingegaan worden op de problematiek van jeugdwerkloosheid. Het Trendrapport 2010 zal ook voorgesteld worden op het Arbeidsmarktcongres van het Steunpunt WSE en het Departement WSE, dat in het teken staat van jeugdwerkloosheid.

terug naar Werkzin-e