Werkzin-e
Nieuwsbrief Departement Werk & Sociale Economie - 30 maart 2010

Conjunctuur en arbeidsmarkt: Meer dan vijf miljoen mensen verliezen hun baan in de EU

Eind dit jaar loopt de Lissabonstrategie, die in 2000 werd gelanceerd, ten einde. Dit actieplan zou van Europa de meest competitieve en dynamische kenniseconomie ter wereld maken. Om deze ambitie waar te maken engageerden de lidstaten zich om onder meer 3% van het BBP te besteden aan onderzoek en ontwikkeling, een jaarlijkse gemiddelde economische groei van 3% te realiseren en 70% van de personen op arbeidsleeftijd (15-64 jaar) aan het werk te krijgen. De EU-27 groeide tussen 2000 en 2008 gestaag naar deze 70%-norm toe, maar de vooropgestelde eindmeet bleef buiten bereik. Bovendien heeft de crisis een deel van de gemaakte vorderingen teniet gedaan. Met een gemiddelde werkzaamheidsgraad van 65% halverwege 2009 wordt deze Lissabondoelstelling dus niet behaald. Ook Vlaanderen blijft met een arbeidsdeelname van 65,7% ver verwijderd van de 70%-doelstelling. Wat de impact van de economische malaise op de arbeidsmarkt betreft, lijkt Vlaanderen echter goed stand te houden in Europees perspectief, zoals blijkt uit de tewerkstellings- en werkloosheidscijfers uit de Enquête naar arbeidskrachten (EAK).

De wereldeconomie komt de financieel-economische crisis stilaan te boven. Hoewel de opkomende economieën opnieuw sterke groeicijfers laten optekenen, blijft het herstel in Europa broos. De laatste twee kwartalen van 2009 noteerden de EU-27 en ook België licht positieve groeicijfers, waarmee de recessie officieel achter ons ligt, maar waarbij we nog niet kunnen spreken van een overtuigende conjuncturele ommezwaai. Naast het aarzelende herstel van de economische activiteit, groeit ook het vertrouwen bij de Europeanen [1], ligt de tijdelijke werkloosheid in Vlaanderen minder hoog dan bij de aanvang van de crisis en lijkt het dieptepunt in de evolutie van de uitzendarbeid achter ons te liggen. Deze conjuncturele opflakkeringen zijn hoopgevend, maar nog niet sterk genoeg om positieve effecten te genereren op de Europese en de Vlaamse arbeidsmarkt, die al hevige klappen hebben moeten incasseren. Voorgaande crisisperiodes leren ons bovendien dat de (Vlaamse) arbeidsmarkt doorgaans met enige vertraging reageert op een conjuncturele dip en nadien meerdere jaren nodig heeft om volledig te recupereren.

Hoewel Europa lang niet zo sterk getroffen is door de recente financieel-economische crisis als de Verenigde Staten, waar sinds het uitbreken van de crisis (december 2007) de loontrekkende tewerkstelling is teruggevallen met 8,4 miljoen jobs [2], is ook de impact op de Europese arbeidsmarkt niet gering. In het afgelopen crisisjaar verloren meer dan 5 miljoen mensen hun job in de EU [3]. In het derde kwartaal van 2009 telde de EU-27 nog om en bij de 214 miljoen werkenden op arbeidsleeftijd (15-64 jaar), wat zich uitte in een gemiddelde werkzaamheidsgraad van 65%. Dat is een daling van -2,3% van het aantal werkenden ten opzichte van dezelfde periode één jaar eerder. Deze daling in de arbeidsdeelname zien we weerspiegeld in een explosieve stijging van het aantal werklozen met +32%, waarmee de gemiddelde werkloosheidsgraad 8,6% bereikt. De procentuele evolutie van het aantal werkenden en het aantal werklozen voor het geheel van de EU-27 wordt in figuur 1 weergegeven als het snijpunt van de blauwe horizontale en verticale as.

Figuur 1: Procentuele evolutie van het aantal werkenden en het aantal werklozen op arbeidsleeftijd (15-64 jaar) (EU-27 en Vlaams Gewest; Q3/2008-Q3/2009)

figuur 1

Noot: Uitschieter Luxemburg is niet opgenomen in de grafiek. Het aantal werkenden steeg hier met 6,5% en het aantal werklozen daalde over de beschouwde periode met -16%.
Bron: Eurostat LFS, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek – EAK (bewerking Departement WSE)

Landen die zich in de figuur linksboven dit blauwe snijpunt bevinden, scoren op beide parameters slechter dan het Europees gemiddelde. Uitschieters in negatieve zin zijn de Baltische staten waar het aantal werklozen in elk van deze landen meer dan verdubbelde. Ook Ierland en Denemarken [4] scoren slecht. Evenals Spanje, waar het grote aandeel werkenden met een tijdelijk contract in de klappen deelde.

Landen die zich in het kwadrant rechtsonder bevinden houden totnogtoe relatief beter stand in de huidige crisis. Toch daalt in al deze EU-lidstaten (uitgezonderd Polen) het aantal werkenden en schiet het aantal werklozen de hoogte in. Onder meer Duitsland heeft de aangroei van het aantal werklozen (+265.600 of +8,7%) kunnen inperken door in te zetten op het behoud van jobs via systemen van arbeidsduurvermindering.

Ook België houdt relatief goed stand met een daling van het aantal werkenden over de beschouwde periode met -1,2% (- 53.100) en een stijging van het aantal werklozen met “slechts” +5,4% (+ 20.300) [5]. België is daarmee iets beter gepositioneerd dan Vlaanderen, waar 46.500 personen hun job verloren, wat gepaard ging met een stijging van het aantal werklozen [6] met +24%. Daarmee wordt bevestigd dat Vlaanderen relatief harder getroffen wordt door de crisis dan de andere gewesten. Dit blijkt ook uit de evolutie van de gewestelijke werkzaamheids- en werkloosheidsgraden. De gemiddelde arbeidsdeelname daalde, in de beschouwde periode, met -1 ppt in Vlaanderen tegenover -0,6 ppt in Brussel en -0,3 ppt in Wallonië. Merk hierbij wel op dat het Waals (56,9%) en Brussels Hoofdstedelijk Gewest (55,1%) al jaren een achterstand kennen inzake arbeidsdeelname en dat de kloof met Vlaanderen (65,7%) en de Lissabondoelstelling (70%) groot blijft. Ook de werkloosheidsgraad stijgt het sterkst in Vlaanderen (+0,7 ppt tot 4,7%), wat niet wegneemt dat de werkloosheidsgraad in Brussel (15,6%) en Wallonië (10,7%) nog steeds ver boven die van Vlaanderen uitsteekt.

Naast de relatief strenge en dure ontslagregelingen [7], hebben een aantal (crisis)maatregelen in Vlaanderen/België, net zoals in Duitsland, een bufferend effect gehad op het aantal ontslagen werknemers. Zo berekenden we eerder, in samenwerking met het Steunpunt WSE, dat de inkrimping van het arbeidsvolume via arbeidsduurvermindering en economische werkloosheid een bijkomend verlies van ca. 41.500 Vlaamse jobs heeft vermeden [8]. Het inzetten op het behoud van jobs via arbeidsduurvermindering werd onder meer versterkt door de Vlaamse overbruggingspremie. Bijkomend jobverlies is ondanks alle inspanningen echter niet uitgesloten. Een aantal bedrijven zal in de nasleep van de financieel-economische crisis alsnog het hoofd niet langer boven water kunnen houden. Een kentering in de stijgende Vlaamse werkloosheidscijfers wordt dan ook niet verwacht voor 2011. Onder meer het opnieuw toenemend aantal werknemers dat bedreigd wordt door collectief ontslag en het gedaalde aantal vacatures dat VDAB ontvangt zijn hiervan een indicatie.

De zogenaamde “labour-hoarding”-strategie, waarbij ondanks een lagere productie zo veel mogelijk personeel wordt behouden, zal landen zoals Duitsland en België, die (onder meer) deze strategie hebben toegepast, een andere uitgangspositie bieden bij het aantrekken van de economie. Immers, het inzetten op het behoud van jobs heeft ontslagen en daarmee gepaard gaande kosten vermeden en bij de heropleving van de economie zal men aldus in mindere mate op zoek moeten gaan naar nieuwe arbeidskrachten en zullen minder wervingskosten gemaakt moeten worden. Een aandachtspunt hierbij is de relatief grote openstaande vraag naar arbeid op de Vlaamse arbeidsmarkt, die zelfs in crisistijd niet volledig opdroogde, wat wijst op een zekere mismatch tussen vraag en aanbod.

Enkel inzetten op het behoud van bestaande jobs is uiteraard niet voldoende om de crisis het hoofd te bieden. Investeringen in innovatie en onderzoek teneinde de creatie van nieuwe jobs te stimuleren blijft van kapitaal belang. Om de nieuwelingen op de arbeidsmarkt en de groeiende groep werklozen te begeleiden, toe te leiden naar en klaar te stomen voor de invulling van de bestaande reserve aan beschikbare jobs én nieuwe jobs eens de economie terug aantrekt, moeten we bovendien blijvend inzetten op onderwijs en levenslang leren. Ook om in het licht van de vergrijzing mensen langer aan het werk te houden, is het van groot belang te voorzien in en het optimaliseren van de mogelijkheden voor het levenslang verwerven en ontwikkelen van nieuwe vaardigheden.

Met de nieuwe strategie “Europa 2020”, voor een slimme, duurzame en inclusieve groei, benadrukt Europa alvast het belang van een innoverende en lerende samenleving. De lidstaten engageren zich daarbij onder meer om de voorwaarden voor onderzoek en ontwikkeling verder te verbeteren en het onderwijsniveau van de bevolking te verhogen. Het belang dat Europa hecht aan de scholing van jongeren alvorens zij de arbeidsmarkt betreden, wordt onder andere benadrukt in de verenging van de leeftijdsafbakening in de nieuwe werkgelegenheidsdoelstelling. Tegen 2020 moet minstens 75% van de bevolking tussen 20 en 64 jaar aan het werk zijn (in plaats van de Lissabondoelstelling van 70% voor de 15 tot 64-jarigen).

In het terugdringen van de vroegtijdige schoolverlaters scoort Vlaanderen vandaag alvast goed in Belgisch en Europees perspectief. Het verhaal van het levenslang leren is echter minder rooskleurig met een lage deelname aan permanente vorming en beperkte opleidingsinspanningen in ondernemingen. De 75%-norm inzake arbeidsdeelname van de 20 tot 64- jarigen moet voor Vlaanderen een haalbare kaart zijn. Vandaag al is gemiddeld 71,4% van deze leeftijdsgroep aan het werk [9]. Uiteraard heeft de snelheid en sterkte waarmee de Vlaamse arbeidsmarkt zich in de komende jaren herstelt en de mate waarin ouderen verder ingeschakeld worden/blijven op de arbeidsmarkt een bepalende impact op het behalen van deze doelstelling. Er is dus nog werk aan de winkel.

Conclusie

De crisis heeft totnogtoe al een zware tol geëist op de Europese arbeidsmarkten. Het economisch herstel is broos en nog niet sterk genoeg om de malaise op de arbeidsmarkt te keren. De Belgische en in mindere mate ook de Vlaamse arbeidsmarkt lijken tot nu toe in Europees perspectief een relatief “kleine” impact te ondergaan. De werkloosheid stijgt er minder sterk en de arbeidsdeelname neemt minder af dan gemiddeld in de EU-27. Maatregelen als het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en arbeidsduurvermindering hebben hun functie als buffer vervuld, maar kunnen ontslagrondes en herstructureringen niet helemaal verhinderen. Zodra de economie overtuigend begint aan te trekken en bedrijven het gebruik van tijdelijke werkloosheid en andere stelsels van arbeidsduurvermindering verder afzwakken en overgaan tot nieuwe aanwervingen, is een fundamenteel herstel van de arbeidsmarkt in zicht. Er staan al enkele lichtpunten aan de horizon, maar van een overtuigende conjuncturele ommezwaai is nog geen sprake. We verwachten dan ook niet dat het tij op de Vlaamse arbeidsmarkt zal keren voor 2011. In het licht van de gekende uitdagingen zoals de dreigende krapte en de vergrijzing, zal het flankerend beleid, zoals competentiebeleid, medebepalend zijn voor de herstelkracht van de Vlaamse arbeidsmarkt. De “EU-2020”-strategie biedt een algemeen kader en enkele kapstokken om dat beleid verder vorm te geven, uit te voeren en te versterken op maat van Vlaanderen om zo sterker uit deze crisis te komen.

Volg de Vlaamse conjuncturele en arbeidsmarktevoluties op de voet aan de hand van onze cijferrubriek “Trend- en conjunctuur” en de interactieve “Crisisbarometer”.

Wie meer wil weten over de recente Europese arbeidsmarktevoluties, raden wij de Monthly Labour Market Monitor aan. Meer cijfers voor de Europese landen vindt u op Eurostat.

 

 

[1] Europese Commissie, DG Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, “Monthly Labour Market Monitor: EU employment situation and social outlook - February 2010”.  In België groeit het vertrouwen bij de ondernemers iets sneller en sterker dan bij de consumenten.

[2] Bureau of Labor Statistics U.S. Department of Labor, News Release: ‘The Employment situation – February 2010’] en de werkloosheid meer dan verdubbelde (+120%) [Europese Commissie, DG Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, “Monthly Labour Market Monitor: EU employment situation and social outlook - March 2010

[3] Deze gegevens komen voort uit de Enquête naar Arbeidskrachten (EAK) en hebben betrekking op de periode Q3/2008-Q3/2009.

[4] We vergeten niet dat de werkzaamheidsgraad in Denemarken desalniettemin hoog blijft.

[5] Deze enquêtegegevens (EAK) wijken af van administratieve bronnen en worden in deze context gebruikt als benadering voor het geleden jobverlies en om vergelijkingen in Europees perspectief mogelijk te maken.

[6] De International Labour Organization (ILO) of de Internationale Arbeidsorganisatie omschrijft de werklozen als niet-werkenden die actief naar werk hebben gezocht in een referentieperiode van vier weken en binnen de twee weken een nieuwe job kunnen beginnen, en niet-werkenden die een job hebben gevonden die binnen de drie maanden begint. Binnen deze definitie worden strengere criteria gehanteerd dan deze die de Belgische bemiddelingsdiensten (o.a. VDAB) gebruiken om de niet-werkende werkzoekenden (nwwz) te definiëren. Bijgevolg zal de groep werklozen, uitgedrukt in absolute aantallen, volgens de ILO-definitie minder groot zijn dan het aantal nwwz.

[7] De crisis heeft vooral meer jongeren de werkloosheid in geduwd. De oudere zittende werknemers werden minder getroffen. De “dure” ontslagregelingen lijken dus een voordeel te zijn geweest in de crisis voor deze laatste groep. (Expertisecentrum Leeftijd & Werk, bericht nr. 3 (maart 2010): Hoe sterk worden oudere werknemers getroffen door de crisis?)

[8] Herremans, W. et al. (2009), Trendrapport Vlaamse arbeidsmarkt 2009, Steunpunt WSE/Departement WSE

[9] Het Brussels (59,6%) en Waals Gewest (62,4%) zijn vooralsnog ver verwijderd van deze nieuwe doelstelling, wat maakt dat ook voor België (67,3%) het nastreven van de nieuwe doelstelling een serieuze inhaalbeweging veronderstelt. De EU-27 is met een gemiddelde arbeidsdeelname van 69,5% momenteel 5,5 pptn verwijderd van de 75%-norm

terug naar Werkzin-e