Beroepskaarten - algemene principes

Algemene principes

Alle niet-Belgen die in België een zelfstandige beroepsactiviteit willen uitoefenen, hetzij als natuurlijke persoon, hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite, moeten op grond van artikel 1 van de wet van 19 februari 1965 in het bezit zijn van een beroepskaart: “Elke vreemdeling die op het grondgebied van het Koninkrijk een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent hetzij als fysiek persoon hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite, moet in het bezit zijn van een beroepskaart. Voor toepassing van deze wet wordt als een zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.”

De beroepskaart is het document waarmee aan de buitenlandse zelfstandige de toelating gegeven wordt om een specifieke activiteit als zelfstandige uit te oefenen op Belgisch grondgebied, in een bepaalde hoedanigheid en voor een bepaalde periode (1 tot maximum 5 jaar). Een aantal categorieën van buitenlanders met een zelfstandig statuut zijn vrijgesteld van het bezit van een beroepskaart.

Bepaalde categorieën van buitenlanders zijn evenwel vrijgesteld van beroepskaarten - de betrokken vrijgestelde categorieën worden hier opgesomd en uitgelegd.

Sinds 1 januari 2015 zijn de gewesten bevoegd voor het regelgevend kader en voor de uitvoering van de economische migratie. Dit betekent de afgifte van beroepskaarten en arbeidskaarten A en B.

Beroepskaartaanvragen worden nog steeds ingediend via dezelfde kanalen:

  • via de diplomatieke post voor personen die in het buitenland verblijven;
  • via het ondernemingsloket voor personen die reeds in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel in België.

De administratieve afhandeling gebeurt niet meer door de Federale Overheidsdienst Economie. De aanvragen worden sinds 1 januari 2015 behandeld door de gewestelijke dienst Economische Migratie.
 

Definitie en doel

De beroepskaart is een verplichte toelating om een activiteit als zelfstandige uit te oefenen op Belgisch grondgebied voor elke buitenlander die:

  • in de hoedanigheid van natuurlijk persoon of als mandataris van een vennootschap of vereniging (al dan niet bezoldigd) dit zal uitvoeren;
  • niet de Belgische nationaliteit bezit;
  • niet de nationaliteit bezit van één van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (de 28 lidstaten van de Europese Unie, aangevuld met de drie EVA-landen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein);
  • niet de Zwitserse nationaliteit heeft;
  • niet van deze formaliteit vrijgesteld is omwille van andere redenen.

Deze regelgeving is erop gericht een evenwicht te vinden tussen enerzijds de verwachtingen van de vreemdelingen die in Vlaanderen een zelfstandige activiteit wensen uit te oefenen en anderzijds de economische, sociale en culturele belangen van Vlaanderen.

 

Territorialiteitsprincipe

Vanaf 1 januari 2015 zijn de drie Gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest) bevoegd voor het uitreiken van de beroepskaarten. Vanaf die datum zullen de aanvragen tot het bekomen van een beroepskaart via de geijkte kanalen bezorgd worden aan de dienst Economische Migratie van het bevoegde gewest.

Voor de territoriale bevoegdheidsafbakening tussen de drie Gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest) gelden de volgende criteria:

  • het bevoegde Gewest wordt bepaald door de plaats van de vestigingseenheid (exploitatiezetel);
  • ingeval er activiteiten in verschillende vestigingseenheden zijn, wordt de maatschappelijke zetel genomen;
  • indien er geen vestigingseenheid in België is, wordt de plaats van effectieve activiteit weerhouden.

Concreet betekent dit dat men, alvorens een aanvraag in te dienen, een duidelijke keuze moet maken van de plaats waar men zijn zelfstandige activiteit wil vestigen (plaats van vestigingseenheid of plaats van effectieve activiteit). Op basis van deze keuze wordt het bevoegde Gewest bepaald.

De plaatselijke Belgische ambassade in het buitenland (bij verblijf van de aanvrager in het buitenland) of een lokaal ondernemingsloket (bij wettig verblijf van de aanvrager in België) zal de aanvraag in ontvangst nemen en doorsturen naar het bevoegde Gewest. Aanvragen die ingediend worden bij een Gewest dat onbevoegd is, worden onontvankelijk verklaard.

Toekenningscriteria

Er zijn drie criteria voor de toekenning (of weigering) van een beroepskaart:

  • het recht op verblijf: indien men niet over een verblijfsvergunning in België beschikt, moet men deze verblijfsvergunning aanvragen bij de diplomatieke of consulaire post op hetzelfde ogenblik als de aanvraag van de beroepskaart;
  • het naleven van de reglementaire verplichtingen: bij een eerste aanvraag wordt gecontroleerd of u over de toegang tot het beroep beschikt, indien dit voor uw activiteit vereist is. Als u vragen heeft over de toegang tot het beroep of als u niet beschikt over deze toegang, dan kan u contact opnemen met een erkend ondernemingsloket voor meer informatie. Bij de hernieuwingsaanvraag wordt daarenboven gecontroleerd of u uw belastingen en sociale bijdragen correct betaald heeft;
  • het belang van het project voor Vlaanderen: dit belang wordt beoordeeld in termen van economisch nut, zoals het beantwoorden aan een economische behoefte, het scheppen van werkgelegenheid, nuttige investeringen, de economische weerslag op de ondernemingen in Vlaanderen, het bevorderen van de export, vernieuwende of gespecialiseerde activiteit. Er kan ook een beoordeling gemaakt worden in termen van sociaal, cultureel, artistiek of sportief nut. Bij de hernieuwingsaanvraag wordt gecontroleerd of de meerwaarde voor Vlaanderen die vooropgesteld werd in de eerste beroepskaartaanvraag (bv. jobcreatie, investeringen,…) effectief gerealiseerd werd.
        
    Voor aanvragers met de status van langdurig ingezetene in een andere EU-lidstaat wordt in plaats van het economisch nut het profiel van de betrokkene (relevante werkervaring, diploma’s,…) geëvalueerd evenals het huidige en verwachte inkomen. Bij de hernieuwingsaanvraag wordt vervolgens het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van iemand van 20 jaar met minstens 12 maanden anciënniteit getoetst als richtbedrag.
       

    Voor aanvragers waarvoor het verblijfsrecht een andere reden heeft dan de zelfstandige activiteit (bv. arbeidskaart, regularisatie,…), worden enkel het recht op verblijf en de naleving van de reglementaire verplichtingen getoetst. De beroepskaart zal bijgevolg, indien deze wordt toegekend, geen recht geven op verblijf. Wanneer de situatie van de betrokkene wijzigt en de beroepskaart wel recht zou moeten geven op verblijf, dan kan deze een wijzigingsaanvraag indienen die hier specifiek naar verwijst. In dit geval zal de dienst Economische Migratie echter ook het belang van het project voor Vlaanderen toetsen.

Meer info