Competenties versterken en loopbanen ondersteunen

Uitbreiding van de opleidingscapaciteit

Het Werkgelegenheidsplan (WIP)  zet in op het versterken van competenties van zowel werkzoekenden als werkenden, vooral met een blik op die competenties die op de arbeidsmarkt van morgen van belang zijn. Zeker in tijden van crisis (en in het counteren van de crisis) is het noodzakelijk extra te investeren in competentieversterkende acties. We maken dan ook meer opleidingscapaciteit vrij (zowel in eigen beheer als bij externen) met een focus op het verwerven van taalkennis, knelpuntberoepen en beroepen voor de toekomst. Hierbij vertrekken we, in samenwerking met sectoren, vanuit regionaal in kaart gebrachte behoeftes en tewerkstellingskansen.

Om flexibel te kunnen inspelen op actuele opleidingsvragen wordt er ook samenwerking met het bedrijfsleven gezocht. De aandacht gaat hierbij prioritair naar werkzoekenden, hoewel binnen de uitbreiding van de opleidingscapaciteit ook ruimte wordt gemaakt voor competentieversterking van werkenden. In dit actieplan wordt tevens ingezet op de doelgroep van werknemers in tijdelijke werkloosheid om economische redenen. Een uitbreiding van webcursussen biedt een passend antwoord op de flexibele aanpak die deze doelgroep vraagt.

Vertrekkende vanuit actuele en toekomstige competentienoden op de arbeidsmarkt grijpen we de kans aan voor de uitbouw van kwalificerende onderwijstrajecten (de zogenaamde HBO-SenSetrajecten) door sterke partnerschappen te lanceren tussen onderwijs, VDAB, SYNTRA Vlaanderen en sectoren. Op die manier willen we het onderwijsaanbod meer laten aansluiten bij transformaties van de economie.

  • Concreet zal dit actieplan de volgende uitbreiding realiseren:
  • 250 extra opgeleide personen in 2010 (en 2011) voor sluitend taalbeleid;
  • 1.600 extra opgeleide personen in 2010 (en 2011) voor knelpuntberoepen en beroepen voor de toekomst;
  • 800 extra opgeleide personen in 2010 (en 2011) via de samenwerkingsovereenkomsten met bedrijven;
  • de verkenning en opstart van enkele onderwijskwalificerende trajecten;
  • een verlenging van het gratis aanbod van webleren voor werknemers in tijdelijke werkloosheid en verdere uitbouw van cursussen op vraag van sectoren.

De kostprijs van dit actieplan bedraagt 9 miljoen euro op jaarbasis in 2010 en 2011, waarvan telkens 4 miljoen euro ESF-inbreng.

Implementatie van het persoonlijk ontwikkelingsplan (POP)

Een Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP) kan in diverse contexten en voor verschillende doelgroepen gebruikt worden. Vooreerst wil men via het POP mensen proactief ondersteunen en sterker maken zodat de verschillende transities in hun loopbaan op een vlotte manier overbrugd kunnen worden. Ten tweede zal het POP op termijn ook geïntegreerd worden in de bestaande en nog te ontwikkelen arbeidsmarktinstrumenten zodat burgers gericht begeleid en ge(her)oriënteerd kunnen worden. Tot slot kan het ook voor bedrijven een nuttig instrument zijn om de competenties van hun werknemers te ontwikkelen. Een POP zorgt ervoor dat die competentieontwikkeling op een gestructureerde manier verloopt, wat bijdraagt tot een positiever leerklimaat in bedrijven, meer levenslang leren en tot meer werkbaar werk.

Daarom werd beslist om in te zetten op twee actielijnen:

Enerzijds een kerntraject dat zich richt op het bereiken van sociale innovatie via een ESF-oproep en anderzijds een complementair traject via het IWT dat zich focust op technologische innovatie.

Deze ESF-oproep(en) hebben als doelstelling het realiseren van een groot aantal POP-trajecten, zodat een gefundeerd antwoord kan verkregen worden op wat POP kan betekenen voor alle betrokken partijen op de arbeidsmarkt (sociale innovatie). Bovendien kan zo ook een breed draagvlak ontwikkeld worden voor een veralgemeend gebruik van POP. De oproep  POP wil aan organisaties de nodige ruimte geven om via het proefdraaien van POP-trajecten binnen 5 specifieke contexten (met name schoolverlaters in een situatie van Leren en Werken, werknemers van bedrijven binnen een sector in transitie, werknemers binnen bedrijven in herstructurering, werkenden in kwalificatiegerichte opleiding en armen) mee te schaven aan een overkoepelend POP-concept dat in de toekomst gedragen wordt door alle intermediairen die zich richten op het begeleiden van burgers in een loopbaantransitie. Naast het proefdraaien van POP-trajecten is het binnen de oproep tevens de bedoeling om scenario's op te stellen om POP in te bedden in de eigen processen als ook in het bredere werkveld opdat de Vlaamse burger in de toekomst adequaat kan bijgestaan worden bij zijn of haar POP.Het WIP voorziet voor de ESF-oproep in2011 910.000 euro bijkomende middelen.

Voor detweede actie werd bij het agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie door VDAB in samenwerking met het Departement WSE een project ingediend en goedgekeurd om een elektronisch/digitaal persoonlijk ontwikkelingsplan te ontwikkelen (technologische innovatie). Met dit project streven we ernaar een IT-platform te ontwikkelen dat flexibel genoeg is om alle mogelijke loopbaantransities (opleiding, werk…) van ieder individu te kunnen ondersteunen, uitgaand van een generiek persoonlijk ontwikkelingsproces en dat kan gebruikt worden door zowel het individu als de professionele begeleiders (intermediairen) en bedrijven als in diverse contexten (onderwijs en opleiding, interne en externe loopbaanbegleiding, competentieversterking, bij ontslag/reorganisatie en outplacement …). De eerste fase van dit project loopt van april 2011 tot december 2011.

waarbij verkend wordt aan welke technologische en sociale vereisten dit POP dient te voldoen. Alle relevante stakeholders zullen hierover via een innovatieplatform bevraagd worden.

In een tweede fase, die van start gaat in 2012, zal een prototype worden opgemaakt, dat nadien in diverse pilootprojecten uitgetest wordt. Er wordt ook bekeken hoe deze prototypes kunnen aansluiten bij andere loopbaan- en informatiesystemen zoals het digitaal portfolio of HRM-tools in het bedrijfsleven. Na afloop van dit project, zal het POP geïmplementeerd worden in diverse contexten.

Loopbaandienstverlening vakorganisaties

Deze actie kadert in de gefaseerde implementatie over heel Vlaanderen van de universele basisdienstverlening die lokale werkwinkels aanbieden en de rol daarin van de vakorganisaties voor wat de loopbaandienstverlening betreft.

De actie beoogt werkenden en tijdelijk werkzoekenden te informeren over diverse vragen inzake hun loopbaan en zonodig door te verwijzen naar erkende centra voor loopbaanbegeleiding of andere relevante actoren in het kader van loopbaanontwikkeling. Er zal een model worden ontwikkeld en uitgetest voor de organisatorische vormgeving van deze dienstverlening.

In een eerste fase werd de operationele uitbouw voorbereid en werden de medewerkers opgeleid, gevolgd door twee pilootfasen.De betrokkenheid van de erkende vakorganisaties in de uitvoering van dit model zal in dit verband een meerwaarde betekenen. Om deze betrokkenheid te realiseren voorziet het WIP een bijkomende investering van 240.000 euro op jaarbasis.Het experiment van de vakorganisaties loopt tot eind 2011.

Uitbreiding loopbaanbegeleiding

Via loopbaanbegeleiding worden werkenden bij het nemen van loopbaankeuzes en –beslissingen professioneel ondersteund in het proces van ontdekken, versterken of ontwikkelen van de competenties die nodig zijn om de eigen loopbaan actief te beheren. Binnen dit proces wordt de zelfsturing en zelfredzaamheid van de klant ontwikkeld.

Om van loopbaanbegeleiding een proactief en preventief arbeidsmarktinstrument te maken, werd het voorstel in het WIP over de uitbreiding van de doelgroep loopbaanbegeleiding geïmplementeerd en voor twee groepen de vereiste duur aangepast in de reglementering.

Zo worden de bestaande kansengroepen in het kader van loopbaanbegeleiding uitgebreid met de groep werknemers in tijdelijke werkloosheid. Daarnaast komt de periode die IBO-cursisten reeds doorliepen in een bedrijf voortaan in aanmerking voor de vereiste werkervaring van 12 maanden. En voor interim-werknemers wordt omwille van de economische crisis deze voorwaarde gewijzigd naar 9 maanden werkervaring. Het wijzigingsbesluit trad in werking op 4 juni 2010.

Er worden ook diverse acties opgezet om de onderparticipatie van kansengroepen in loopbaanbegeleiding weg te werken.

Er werd een onderzoek ‘kansengroepen in werk en ondernemerschap’ gelanceerd om na te gaan of de huidige definitie van kansengroepen de juiste criteria hanteert in de context van de loopbaanthematiek van werkenden (met bijzondere aandacht voor ondernemers). Daarnaast werd onderzocht welke specifieke ondersteuningsnoden er bestaan voor de kansengroepen. Dit VIONA-onderzoek liep van januari 2010 tot december 2010.

Een tweede actie betreft een project over online loopbaancoaching voor kansengroepen, ondernemers en moeilijk bereikbare groepen. Dit project loopt van 1 december 2009 tot 30 juni 2011.

Vlaams arbeidsmarktonderzoek voor de toekomst (VLAMT)

Hoe ziet de arbeidsmarkt van morgen eruit? Waar gaan onze kinderen later werken? We zullen nooit een precies antwoord krijgen op deze vragen, maar een voorspellende analyse van de AM geeft ons een helder beeld van aanwezige trends en de achterliggende verklaringen ervoor.

Om beter en tijdig te kunnen inspelen op toekomstige noden op de arbeidsmarkt is het van belang om deze noden in kaart te brengen en te analyseren. Hiertoe wordt gebouwd aan een gecoördineerde en gestructureerde informatieverzameling over de toekomstige arbeidsmarkt in Vlaanderen, onder meer met het oog op een proactieve detectie van knelpuntberoepen en “beroepen voor de toekomst”. Daarom werd in het najaar van 2010 het project “Platform Vlaams arbeidsmarktonderzoek van de toekomst” opgestart. Dit project wordt gedragen door een breed samenwerkingsverband (Departement WSE, VDAB, SYNTRA Vlaanderen, SERV, Departement Onderwijs & Vorming).

In een eerste fase gingen we in het buitenland op zoek naar leerzame voorbeelden. Na het scherpstellen van functionaliteiten, concept en werkwijze, starten we in 2011 met het piloteren van het platform. Hierbij willen we ook nagaan hoe diverse actoren (VDAB, SYNTRA Vlaanderen, Onderwijs, diverse intermediairen op de arbeidsmarkt, sectoren, bedrijven, …) er handvaten in vinden voor een betere afstemming van vraag en aanbod en toekomstgerichte bemiddeling, begeleiding, loopbaanbegeleiding, matching en competentie-versterkende acties. Het platform moet finaal dus leiden tot het maken van onderbouwde keuzes.

Na afloop van het ESF-project, willen we komen tot beleidsaanbevelingen met betrekking tot een structurele verankering en beleidsmatig aansturen van een dergelijk platform.

Sectorconvenants

In het WIP worden de sectorconvenants bevestigd als hefboom voor competentieontwikkeling en competentiebeleid, in het bijzonder in tijden van crisis. In de aanloop naar een nieuwe stijl sectorconvenants 2010-2011 werd een nieuw inhoudelijk kader uitgewerkt, dat op 12 februari 2010 door de VESOC-partners werd goedgekeurd.

In dit kader staan continuering en versterking centraal. Via het decreet sectorconvenants (pdf / 237.36 KB) bieden we continuïteit en zekerheid op het vlak van werking en op het vlak van thema’s (aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, levenslang leren en competentiebeleid en evenredige arbeidsdeelname en diversiteit). Nieuw ten opzichte van de vorige generatie sectorconvenants is de KMO-toets. Via deze toets moeten sectoren aantonen dat er voldoende aandacht is voor KMO’s en dat dit type van ondernemingen op een aangepaste manier ondersteund wordt. Met deze generatie sectorconvenants wordt ook gestreefd naar intersectorale synergie en constructieve partnerschappen.

Naast de continuering en versterking van de inhoudelijke thema’s en een aantal nieuwe inhoudelijke accenten, is er een stijlbreuk in aanpak en format van de sectorconvenants. Meer inbreng en vrijheid voor de sectoren met het oog op maatwerk, aandacht voor het ontwikkelen van draagvlak en vertrekken vanuit een integrale benadering zijn de basisprincipes. Hiermee wordt afgestapt van het werken volgens een modelconvenant met generieke artikels en een keuzemenu van acties. Sectoren moeten nu een visie ontwikkelen op hun eigen rol en verantwoordelijkheden met betrekking tot de decretale thema’s en dit op basis van de eigenheid, de context en de toekomstige transitie van de sector. Van hieruit dienen zij prioriteiten te bepalen en er concrete acties aan te koppelen die bijdragen tot de beoogde doelstellingen.