Lokale diensteneconomie - veelgestelde vragen

  1. Definities

    1. DAEB-besluit
    2. DmfA
    3. Dimona
    4. Doorstroom
    5. Enclavewerking
    6. ICF
    7. Klaverbladfinanciering
    8. Lokale dienst
    9. Lokale diensteneconomie
    10. Lokale diensteneconomieonderneming
    11. Maatwerkdecreet
    12. Maatwerkafdeling
    13. Maatwerkbedrijf
    14. Opdrachtgevende overheid
    15. OWSE
    16. POP
    17. VOP
    18. VTE
  2. Organisatievoorwaarden

    1. Kies ik voor een label als lokale diensteneconomieonderneming op niveau van de onderneming of op het niveau van de vestiging?
    2. Wat is een vestigingseenheid?
    3. Hoe wordt de minimale schaalgrootte voor lokale diensteneconomieondernemingen berekend?
    4. Wanneer moet een lokale diensteneconomieonderneming voldoen aan de minimale schaalgrootte van 5 voltijds equivalente doelgroepwerknemers?
    5. Vanaf wanneer gelden de organisatievoorwaarden voor lokale diensteneconomie-initiatieven die in het nieuwe decreet automatisch omgezet zijn naar een LDE-onderneming?
    6. Vanaf wanneer gelden de organisatievoorwaarden voor een startende lokale diensteneconomieonderneming?
    7. Welke rechtsvorm kan een lokale diensteneconomieondernemingen aannemen?
    8. Wat wordt bedoeld met sui generis?
    9. Wat houdt de afzonderlijke financiële registratie in het kader van de sui generisafdeling in?
    10. Kan een maatwerkbedrijf ook LDE-activiteiten opnemen?
    11. Kan een lokale diensteneconomieonderneming ook een maatwerkafdeling oprichten?
    12. Kan een lokale diensteneconomieonderneming lokale diensten uitbesteden aan andere ondernemingen?
    13. Kan een lokale diensteneconomieonderneming een enclavewerking opzetten?
    14. Komen ondernemingen in Brussel in aanmerking als lokale diensteneconomieonderneming?
  3. Kwaliteitsmanagement

    1. Wat is de planning voor het kwaliteitsmanagement voor LDE-ondernemingen?
    2. Welke modellen kan ik gebruiken voor het duurzaamheidsverslagen en de zelfevaluatie?
    3. Waar vind ik minimale indicatoren voor de rapportering in het duurzaamheidsverslag?
    4. Hoe bezorg ik het jaarlijks duurzaamheidsverslag van mijn organisatie?
    5. Waarin verschilt het duurzaamheidsverslag van de zelfevaluatie?
    6. Moet een LDE-onderneming een duurzaamheidsverslag aanleveren in hetzelfde jaar waarin de onderneming een zelfevaluatie indient?
  4. Lokale dienst

    1. Wat wordt verstaan onder lokale diensten?
    2. Dien ik als LDE-onderneming steeds over een opdracht van een opdrachtgevende overheid te beschikken voor de uitvoering van de lokale diensten?
    3. Moet een lokale diensteneconomieonderneming een opdracht bezorgen aan het Departement WSE voor lokale diensten die de onderneming nu reeds uitvoert?
    4. Kunnen doelgroepwerknemers in een inschakelingtraject toegewezen in het kader van een Vlaams klaverblad ingezet worden voor de uitvoering van een lokale dienst in opdracht van een lokale overheid?
    5. Wie kan bepalen of een lokale dienst een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) is?
    6. Wie kan een opdracht geven tot uitvoering van een lokale dienst? Wie kan een toewijzingsbesluit voor een lokale dienst geven?
    7. Hoe dient een lokaal bestuur een opdracht voor een lokale dienst aan een LDE-onderneming toe te wijzen?
    8. Welke elementen omvat het toewijzingsbesluit? Waaruit bestaat een opdracht tot uitvoering van een lokale dienst door een lokale overheid?
    9. Hoe bepaal ik de parameters voor vergoeding? Hoe bepaal ik de parameters van de vergoeding als de lokale dienst nog niet aangeboden wordt?
    10. Kan een lokaal bestuur de inschakeling/tewerkstelling en de begeleiding van de LDE-doelgroepwerknemer financieren?
    11. Kan een lokaal bestuur een lokale dienst als DAEB definiëren indien die dienst al op de markt wordt verricht door andere ondernemingen die niet met een DAEB zijn belast?
    12. Moet een lokaal bestuur kiezen voor de lokale diensteneconomieonderneming die de lokale dienst het goedkoopst kan uitvoeren?
    13. Klopt het dat een lokaal bestuur, wanneer zij een dienst als DAEB formuleert, niet meer de regels inzake overheidsopdrachten moet naleven?
    14. Dient een onderneming die zich wenst aan te melden als lokale diensteneconomieonderneming reeds te beschikken over een opdracht van een opdrachtgevende overheid?
    15. Wordt het aanvullend karakter van de lokale diensten nog getoetst door het departement WSE?
    16. Is een impactanalyse in het kader van de lokale diensteneconomie?
    17. Wie dient de impactanalyse op te maken?
    18. Waar kan ik het sjabloon voor de impactanalyse vinden?
    19. Welke fora komen in aanmerking voor het advies van de lokale socio-economische partners over de opdracht en de impactanalyse?
    20. Welk forum moet geraadpleegd worden indien de lokale dienst gemeente overschrijdend wordt georganiseerd?
  5. Indicering doelgroepwerknemers

    1. Wat is indicering?
    2. Hoe verloopt het indiceringsproces bij een potentiële doelgroepwerknemer?
    3. Hoe bepaalt de VDAB de ondersteuningsbehoefte als potentieel doelgroepwerknemer?
    4. Kan een doelgroepwerknemer meerdere rechten tegelijk combineren?
    5. Hoe verloopt de toeleiding van doelgroepwerknemers naar een werkgever?
    6. Kunnen lokale diensteneconomieondernemingen zelf werkzoekenden voorstellen aan de VDAB voor invulling van een openstaande vacature?
    7. Hoe bepaalt VDAB de nood aan ondersteuning?
    8. Indien ik als werkzoekende of als lokale diensteneconomieonderneming niet akkoord ga met de indicering van VDAB, kan ik dan beroep aantekenen?
    9. Hoelang blijft een recht op lokale diensteneconomie geldig?
    10. Het advies lokale diensteneconomie vervalt na 5 jaar volledige werkloosheid. Wat als een doelgroepwerknemer in tussentijd tijdelijk gewerkt heeft maar dan niet bij een LDE-onderneming?
    11. Komen doelgroepwerknemers uit Brussel in aanmerking voor een inschakelingstraject in de lokale diensteneconomie?
    12. Een werknemer beschikt over een VOP. Kan deze werknemer toegeleid worden naar een inschakelingstraject lokale diensteneconomie?
  6. POP

    1. Welke elementen moeten minimaal in het persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) aanwezig zijn?"
    2. Wat wordt begrepen onder technische competenties?
    3. Wat wordt begrepen onder technische competenties?
    4. Dekt het sjabloon uit de ESF tender POP de vereisten van de regelgeving af?
    5. Is het verplicht om dit POP sjabloon uit de ESF tender POP te gebruiken?
    6. Waar moet het POP geregistreerd worden?
    7. Welke plaats zal het POP innemen bij evaluatie door de VDAB?
    8. Moet er voor elke doelgroepmedewerker jaarlijks een POP opgemaakt worden?
    9. Wat als een doelgroepmedewerker geen POP gesprek wil of kan voeren?
    10. Wie heeft inzage in het POP-dossier dat opgeladen is in Mijn Loopbaan?
    11. Hoe krijgt een onderneming toegang tot het vertrouwelijk luik?
    12. Eens opgeladen, kan een POP dan nog aangepast worden?
    13. Wat gebeurt er als een werknemer van werkgever verandert?
    14. Nuttige links
  7. Vacatures

    1. Waar meld ik vacatures als LDE-onderneming?
    2. Wat is MVAC?
    3. Welke vacaturegegevens bezorgt een LDE-onderneming aan de VDAB?
    4. Moet ik als werkgever de doelgroepwerknemers een contract van onbepaalde duur aanbieden?
    5. Moet een vermeerdering van contractuele uren (bijvoorbeeld bij de uitbreiding van een halftijds contract naar een voltijds contract) ook via een vacature bij VDAB verlopen?
    6. Kunnen artikel 60’ers toegeleid worden naar lokale diensteneconomie?
    7. Wat is de termijn voor vervangingen van doelgroepwerknemers?
    8. Moet een lokale diensteneconomieonderneming wachten met het aanwerven van doelgroepwerknemers, indien de onderneming nog geen inschakelingstrajecten kreeg toegewezen?
  8. Vergoeding

    1. Welke vergoeding staat er tegenover het aanbieden van een inschakelingstraject?
    2. Kan de lokale diensteneconomieonderneming nog steeds beroep doen op een loon- en omkaderingspremie?
    3. Is de vergoeding van het inschakelingstraject gebonden aan de prestaties van de doelgroepwerknemer?
    4. Welke vergoeding krijgt de lokale diensteneconomieonderneming tijdens de overgangsperiode?
    5. Worden er maandelijkse of kwartaalvoorschotten gegeven?
    6. Hoe wordt het maandelijks voorschot berekend?
    7. Hoe wordt de kwartaalafrekening berekend?
    8. Op welke dag ontvangt de lokale diensteneconomieonderneming het voorschot?
    9. Zal het departement de afrekening maken op jaar- of kwartaalbasis?

 

Veel gestelde vragen nieuwe decreet lokale diensteneconomie

 

Definities

DAEB-besluit

Deze Europese wetgeving regelt de steun vanuit een overheid aan een onderneming belast met diensten van algemene economisch belang (DAEB), zoals lokale diensteneconomieondernemingen. De Europese Commissie definieert een DAEB als een economische activiteit die het algemeen belang dient en die de markt, zonder het overheidsoptreden, ander niet of niet onder dezelfde voorwaarden inzake objectieve kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid, gelijke behandeling of algemene toegang had verricht. Dit regelgevend kader bepaalt wanneer de staatsteun een gerechtvaardigde compensatie is zonder de marktwerking te verstoren.

DmfA

Met de Déclaration multifonctionelle/multifunctionele aangifte (DmfA) dient de werkgever de loon- en arbeidstijdgegevens van zijn werknemers in bij de instellingen van sociale zekerheid. De DmfA-gegevens worden als authentieke bron gebruikt voor de berekening van de subsidies en vergoedingen.

Dimona

De Déclaration immédiate/onmiddellijke aangifte (Dimona) bevat de gegevens waarmee de werkgever het begin en het einde van de arbeidsrelatie met elk personeelslid aangeeft bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) of bij de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels (DIBISS), de voormalige RSZPPO.

Doorstroom

Doorstroom wordt gedefinieerd als de tewerkstelling van de doelgroepwerknemer aansluitend op de inschakeling binnen de lokale diensteneconomie, in een betrekking met minder of zonder ondersteuning dan de ondersteuning aanboden in het kader van de lokale diensteneconomie.

Enclavewerking

Enclavewerking is de inschakeling van doelgroepwerknemers in de hoofdactiviteit van een andere organisatie in opdracht van een maatwerkbedrijf, waarbij de doelgroepwerknemers in deze organisatie eenzelfde activiteit uitvoeren als in het maatwerkbedrijf. Het maatwerkbedrijf voorziet in de begeleide inschakeling van een of meer doelgroepwerknemers in de kernactiviteit van een andere onderneming of organisatie.

ICF

De International Classification of Functioning, Disability and Health is een wetenschappelijk instrument, dat door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is erkend sinds 2002. Het ICF-instrument brengt aan de hand van de classificatie van gezondheids(gerelateerde) problemen het functioneren van een persoon in kaart. De VDAB screent op basis van dit instrument de afstand van werkzoekenden tot de arbeidsmarkt en hun individuele behoefte aan ondersteuning.

Klaverbladfinanciering

De financiering van de lokale diensteneconomieondernemingen verloopt volgens het principe van het klaverbladmodel. Het uitgangspunt bij het klaverbladmodel is dat iedereen die baat heeft bij de lokale diensten die worden aangeboden, zijn steentje bijdraagt om de inschakelingstrajecten en de lokale diensten te financieren. Het model is flexibel, het kan bestaan uit meerdere klaverbladen:

  1. Financiering door de Vlaams minister bevoegd voor sociale economie van de inschakelingstrajecten;
  2. Financiering door de opdrachtgevende overheid voor de lokale dienst (bijvoorbeeld kinderopvang). De opdrachtgevende overheid kan zowel een Vlaams bevoegd minister (=Vlaams klaverblad) als een lokaal bestuur zijn (=lokaal klaverblad);
  3. SINE RSZ-doelgroep vermindering en/of RVA-tussenkomst;
  4. Lokale cofinanciering;
  5. Klanteninkomsten.

Afhankelijk van de opdrachtgevende overheid voor de lokale dienst, spreekt men van een lokaal klaverblad (de opdrachtgevende overheid is een lokaal bestuur), dan wel een Vlaams klaverblad (de opdrachtgevende overheid is een Vlaams bevoegd minister).

Lokale dienst

Een lokale dienst in het kader van de lokale diensteneconomie is een maatschappelijk relevante dienstverlening waarvoor een lokale of een Vlaams bevoegde minister een opdracht verleend aan een lokale diensteneconomieonderneming. Binnen de lokale diensteneconomie zijn er twee types lokale diensten:

  1. Lokale diensten binnen een Vlaams klaverblad: binnen een Vlaams klaverblad is de Vlaams minister bevoegd voor sociale economie verantwoordelijk voor het inschakelingstraject van doelgroepwerknemers en de financiering van deze trajecten. Een collega-minister binnen de Vlaamse Regering is bevoegd voor de lokale dienst of dienstverlening die gekoppeld wordt aan deze inschakelingstrajecten, bijvoorbeeld kinderopvang, logistieke hulp en aanvullende thuiszorg, energiesnoeiers,...
  2. Lokale diensten met een opdracht van een lokaal bestuur: binnen een 'lokaal klaverblad' is de Vlaams minister bevoegd voor sociale economie verantwoordelijk voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemers en de financiering van deze trajecten. Het lokaal bestuur staat in voor de opdracht en de financiering van de lokale dienst.

Lokale diensteneconomie

De lokale diensteneconomie voorziet in de uitbouw van een lokaal dienstenaanbod, ondersteund vanuit de overheid, dat nauw aansluit bij de maatschappelijke evoluties en noden. Hierbij wordt een dubbele maatschappelijke meerwaarde gecreëerd door enerzijds de inschakeling en begeleiding van doelgroepwerknemers te bevorderen en anderzijds door de principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen in diensten te verankeren. De lokale diensteneconomie vult op die manier de behoefte aan maatschappelijke dienstverlening in en voorziet in een kwaliteitsvolle begeleiding en competentieversterkende inschakeling van de doelgroepwerknemers, met het oog op doorstroom.

Lokale diensteneconomieonderneming

Een lokale diensteneconomieonderneming is een publieke of private rechtspersoon die inschakelingstrajecten aanbiedt tot uitvoering van maatschappelijk relevante, lokale diensten. De opdracht tot uitvoering van de inschakelingstrajecten wordt verleend door de Vlaamse minister bevoegd voor sociale economie. De opdracht voor de lokale dienst wordt verleend door de opdrachtgevende overheid.

Maatwerkdecreet

De afgelopen jaren werden de maatregelen op het vlak van sociale economie afgestemd tot twee pijlers: maatwerk en lokale diensteneconomie. Op deze manier wordt een transparant inschakelingskader voor alle werkgevers gecreëerd. Het decreet betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling of kortweg het maatwerkdecreet, integreert de tewerkstellingsmaatregelen in het kader van de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de invoegmaatregel en stemt de subsidievoorwaarden van deze maatregelen op elkaar af. He tmaatwerkdecreet heeft 3 doelstellingen:

  1. Werk en ondersteuning op maat aanbieden aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt;
  2. Ondersteuning aanbieden aan werkgevers die personen met een grote afstand tot arbeidsmarkt collectief tewerkstellen.  Onder collectief tewerkstellen wordt verstaan een tewerkstelling van minstens 5 VTE op jaarbasis op eenzelfde tewerkstellingsplaats;
  3. De creatie van een kwalitatief kader dat de groei van competenties en de doorstroom van de personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt op kwalitatieve wijze stimuleert.

Het verschil met de lokale diensteneconomie schuilt vooral in de doelgroep die wordt beoogd, de activiteiten die worden uitgevoerd en de manier van subsidiëren.

Maatwerkafdeling

Een maatwerkafdeling is een onderneming die binnen het kader van het maatwerkdecreet minimaal 5 VTE doelgroepwerknemers collectief wil inschakelen, maar waarbij de hoofdactiviteit van de onderneming het aanbieden van goederen en diensten aan de markt blijft. De onderneming wil zich maatschappelijk engageren door ook doelgroepwerknemers op te nemen binnen de reguliere werking, maar maakt van de inschakeling niet de hoofdactiviteit van de onderneming.

Maatwerkbedrijf

Een maatwerkbedrijf is een onderneming die binnen het kader van het maatwerkdecreet minimaal 20 VTE doelgroepwerknemers tewerk stelt en op maat begeleidt. Een maatwerkbedrijf is een onderneming die het als haar kerntaak en hoofdactiviteit ziet om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te begeleiden. De economische activiteiten van de onderneming worden georganiseerd in fucntie van deze kerntaak. De huidige beschutte en sociale werkplaatsen worden geherorienteerd naar maatwerkbedrijven.

Opdrachtgevende overheid

De opdrachtgevende overheid is de lokale of Vlaamse overheid die een lokale diensteneconomieonderneming een opdracht verleent tot uitvoering van een lokale dienst.

OWSE

OWSE (Oproepen WSE) is de elektronische onlinetoepassing voor promotoren, bedrijven en andere stakeholders om elektronische aanvragen te behandelen (vb. aanmelding als maatwerkbedrijf, aanvraag tot capaciteitsuitbreiding, betalingsrapporten). Met OWSE wil het Departement WSE sterk inzetten op een vermindering van de administratieve lasten en een efficiënte dossieropvolging voor/door ondernemingen.

POP

Een persoonlijke ontwikkelingsplan (POP) is een opvolgbaar actieplan met als doel de arbeidsmarktgerichte persoonlijke ontwikkeling van het individu te bevorderen. Het persoonlijk ontwikkelingsplan van de doelgroepwerknemer wordt jaarlijks geregistreerd in de VDAB-toepassing 'Mijn Loopbaan'.

VOP

De VOP of de Vlaamse OndersteuningsPremie van de VDAB is gericht op werkgevers die personen met een arbeidshandicap in dienst nemen. Als een werkgever een werknemer met een arbeidshandicap aanwerft of al in dienst heeft, dan ontvangt deze werkgever vijf jaar lang een premie van de VDAB. De maatregel geldt in de privésector, het onderwijs en voor werknemers die op 1 juli 2008 niet in dienst waren met een contract van onbepaalde duur in het lokaal bestuur dat de VOP aanvraagt of die er niet benoemd waren. Deze maatregel geldt niet bij de overheid kan niet gecombineerd worden met een recht op maatwerk of recht op lokale diensteneconomie.

VTE

VTE drukt de werkzaamheidsgraad van een onderneming in voltijds equivalente in plaats van in koppen of personen.

 

Organisatievoorwaarden

Kies ik voor een label als lokale diensteneconomieonderneming op niveau van de onderneming of op het niveau van de vestiging?

Een onderneming kan het label lokale diensteneconomieonderneming aanvragen op vestigingsniveau of op ondernemingsniveau. Eén onderneming met meerdere kan dus verschillende labels bekomen. Alle organisatievoorwaarden (schaalgrootte, kwaliteit, begeleiding) zullen op het niveau van het label toegepast worden. Het kan interessant zijn voor ondernemingen om het label op ondernemingsniveau aan te vragen, om op die manier de minimale schaalgrootte van 5 VTE te bereiken. Het aanvragen van een label op vestigingsniveau of op ondernemingsniveau heeft geen enkel voor- of nadeel voor de vergoeding van de inschakelingstrajecten. De huidige lokale diensteneconomie-initiatieven krijgen automatisch een label toegekend op ondernemingsniveau.

Wat is een vestigingseenheid?

Met een vestigingseenheid wordt elke plaats bedoeld die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar of van waaruit ten minste één activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend. Voorbeelden van vestigingseenheden zijn werkplaatsen, winkels, verkooppunten, kantoren, directies, zetels, agentschappen en filialen. Elke vestigingseenheid van een onderneming krijgt een uniek nummer toegekend door de Kruispuntbank Ondernemingen. Het vestigingsnummer –dat verschilt van het ondernemingsnummer– bestaat uit tien cijfers en is overdraagbaar van een onderneming naar een andere (bijvoorbeeld bij een fusie of overname). Een onderneming kan dus meermaals in de KBO kan voorkomen als ze verschillende plaatsen van activiteit heeft

Hoe wordt de minimale schaalgrootte voor lokale diensteneconomieondernemingen berekend?

Een lokale diensteneconomieonderneming stelt op jaarbasis minimaal gemiddeld 5 voltijds equivalente doelgroepwerknemers tewerk. Ieder kwartaal wordt de invulling op het niveau van het toegekende label berekend op basis van de contractuele prestatiebreuk uit de DmfA-aangifte, en omgezet naar een gemiddelde invulling op jaarbasis. Elke doelgroepwerknemer die een referteloonkost groter dan 0 voortbrengt, wordt meegenomen in de berekening (vb. langdurig zieke personen die een volledig kwartaal afwezig zijn, worden meegenomen in de berekening). Bijgevolg zijn schommelingen op de invulling per kwartaalbasis mogelijk, zolang het jaargemiddelde 5 VTE of meer bedraagt. Deze berekening wordt gemaakt op het niveau van de toekenning van het label, met andere woorden op het niveau van de onderneming of de vestiging.

Wanneer moet een lokale diensteneconomieonderneming voldoen aan de minimale schaalgrootte van 5 voltijds equivalente doelgroepwerknemers?

Op 1 januari 2018 moet elke lokale diensteneconomieonderneming op jaarbasis minimaal gemiddeld 5 voltijds equivalente doelgroepwerknemers tewerk stellen. Als niet voldaan wordt aan deze organisatievoorwaarde, voldoet de lokale diensteneconomieonderneming niet aan de voorwaarden van het nieuwe decreet, en kan het label als lokale diensteneconomieonderneming ingetrokken worden.

Vanaf wanneer gelden de organisatievoorwaarden voor lokale diensteneconomie-initiatieven die in het nieuwe decreet automatisch omgezet zijn naar een LDE-onderneming?

De huidige LDE-initiatieven zullen automatisch omgezet worden naar het label lokale diensteneconomieonderneming. De huidige LDE-ondernemingen dienen zicht dus niet opnieuw aan te melden. Deze ondernemingen zullen uiterlijk op 1 januari 2018 moeten voldoen aan de organisatievoorwaarden voor LDE-ondernemingen. Zo niet, kan het label als LDE-onderneming ingetrokken worden.

Vanaf wanneer gelden de organisatievoorwaarden voor een startende lokale diensteneconomieonderneming?

Een startende lokale diensteneconomieonderneming met inschakelingstrajecten heeft een overgangsperiode van twee jaar om aan de organisatievoorwaarden te voldoen. De overgangsperiode start vanaf het eerstvolgende kwartaal na de toekenning van de inschakelingstrajecten. Bij de aanvang van het derde jaar wordt het bedrijf geacht om aan de organisatievoorwaarden te voldoen. Tijdens de overgangsperiode ontvangt de lokale diensteneconomieonderneming reeds een vergoeding voor de ingeschakelde doelgroepwerknemers.

Welke rechtsvorm kan een lokale diensteneconomieondernemingen aannemen?

Gelet op de specifieke maatschappelijke hoofdactiviteit dient een lokale diensteneconomieonderneming de rechtsvorm aan te nemen van:

  1. een vennootschap zonder winstoogmerk (vzw);
  2. een vennootschap met een sociaal oogmerk (vso) aan te nemen;
  3. een publiekrechtelijk rechtspersonen;
  4. een samenwerking tussen publiekrechtelijke rechtspersonen.

Elke vennootschap kan een vso-statuut bekomen, mits aan (onder meer) volgende voorwaarden voldaan:

  1. de uitdrukkelijke vermelding dat de vennoten geen of een beperkt vermogensvoordeel nastreven;
  2. een nauwkeurige omschrijving van het sociale oogmerk;
  3. een omschrijving van de wijze waarop de winst wordt besteed overeenkomstig het interne/externe sociale oogmerk.

Om als werkgever te kunnen optreden dient het samenwerkingsverband tussen publiekrechtelijke rechtspersonen rechtspersoonlijkheid te hebben. Concreet betekent dit dat volgende samenwerkingsverbanden in aanmerking komen:

  1. projectvereniging;
  2. dienstverlenende vereniging;
  3. opdracht houdende verenigingen.

Wat wordt bedoeld met sui generis?

Lokale diensteneconomieondernemingen die naast hun activiteiten in het kader van de lokale diensteneconomie andere (commerciële of niet-commerciële) activiteiten uitoefenen, dienen een sui generisafdeling op te richten voor haar activiteiten binnen de lokale diensteneconomie. Deze verplichting is bedoeld om vermenging van de lokale diensteneconomieactiviteit en andere activiteiten van de onderneming te vermijden en om de financiële, administratieve en sociale controle te vergemakkelijken. Deze sui generisafdeling staat onder het toezicht van een specifieke verantwoordelijke. Daarnaast registreert de sui generisafdeling afzonderlijk de inhoudelijke en financiële activiteiten die binnen de lokale diensteneconomie worden verricht.

Wat houdt de afzonderlijke financieële registratie in het kader van de sui generisafdeling in?

Hierbij wordt een onderscheidt gemaakt tussen ondernemingen die andere commerciële activiteiten uitoefenen en ondernemingen die andere niet-commerciële activiteiten uitoefenen.
Voor de ondernemingen met andere commercieuml;le activiteiten houdt de afzonderlijke registratie een gescheiden boekhouding in. Dit is voor deze ondernemingen de beste oplossing om aan te tonen dat de verstrekte compensatie de precieze netto kosten van de verrichte dienst van algemeen economisch belang niet overschrijdt, en dat er dus geen sprake is van overcompensatie.
Ondernemingen die naast de activiteiten in het kader van de lokale diensteneconomie tevens niet-commerciële activiteiten uitoefenen, dienen geen gescheiden boekhouding te voeren. Wel zouden met de interne boekhouding de kosten van het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang moeten kunnen worden geïdentificeerd. Er dienen met andere woorden afzonderlijke kostenposten te kunnen worden geïdentificeerd. Kosten die enerzijds kunnen worden toegeschreven aan de sui generisafdeling en anderzijds aan activiteiten buiten de lokale diensteneconomie, dienen zowel de sui generisafdeling als aan de andere activiteiten te worden verrekend. De kosten toegeschreven aan de lokale diensteneconomie dienen alle bij het verrichten van de activiteit in het kader van dit ontwerp van decreet ontstane variabele kosten te omvatten, plus een proportioneel aandeel in de gemeenschappelijke vaste kosten.

Kan een maatwerkbedrijf ook LDE-activiteiten opnemen?

Een onderneming kan het label als maatwerkbedrijf en lokale diensteneconomieonderneming combineren. Een aandachtspunt is dat de personen met een recht op lokale diensteneconomie (LDE) niet opgenomen worden onder de 65% personen met een arbeidshandicap of een psychosociale beperking die maatwerkbedrijven dienen te werk te stellen.

Kan een lokale diensteneconomieonderneming ook een maatwerkafdeling oprichten?

Lokale diensteneconomieondernemingen kunnen een maatwerkafdeling oprichten. De lokale diensteneconomieonderneming dient dan wel een sui generisafdeling op te richten.

Kan een lokale diensteneconomieonderneming lokale diensten uitbesteden aan andere ondernemingen?

Onderaanneming of uitbesteding van lokale diensten is niet mogelijk binnen de lokale diensteneconomie. De onderneming die de opdracht krijgt voor de uitvoering van inschakelingstrajecten en de uitvoering van de lokale diensten moet zowel de werkgever van de doelgroepwerknemers als de uitvoerder van de lokale diensten zijn.

Kan een lokale diensteneconomieonderneming een enclavewerking opzetten?

Nee, dat kan niet. De onderneming die de opdracht krijgt voor de uitvoering van de inschakelingstrajecten en de uitvoering van de lokale diensten, moet zowel de werkgever van de doelgroepwerknemers als de uitvoerder van de lokale diensten zijn.

Komen ondernemingen in Brussel in aanmerking als lokale diensteneconomieonderneming?

Ondernemingen in Brussel komen niet in aanmerking. Ze kunnen terecht bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die een gelijkaardige maatregel kennen.

 

Kwaliteitsmanagement

Wat is de planning voor het kwaliteitsmanagement voor LDE-ondernemingen?

De kwaliteitscyclus bestaat uit 3 elementen: het duurzaamheidsverslag, de zelfevaluatie en het assessment.. Deze 3 elementen hebben een eigen planning:

  • In het kader van het kwaliteitsmanagement leveren LDE-ondernemingen jaarlijks een duurzaamheidsverslag op, telkens ten laatste op 31 juli, over het voorgaande jaar. De ondernemingen bezorgen het eerste duurzaamheidsverslag over het werkingsjaar 2016 uiterlijk op 31 juli 2017 aan het Departement WSE.
  • Lokale diensteneconomieondernemingen passen om de drie jaar een zelfevaluatie toe. Een planning hiertoe wordt via een ministerieel besluit opgesteld. Deze planning bouwt voort op het ESF-project ‘kwaliteitsmanagement in de sociale economie’ waarin ook lokale diensteneconomieondernemingen betrokken zijn. De cyclus van dit ESF-project wordt voor de betrokken ondernemingen verder vervolgd.
  • Binnen de periode 2017 tot 2026 vindt bij alle LDE-ondernemingen een kwaliteitsassessment plaats.

Welke modellen kan ik gebruiken voor het duurzaamheidsverslagen en de zelfevaluatie?

Het duurzaamheidsverslag zal geënt worden op de Global Reporting Initiative (GRI). Voorbeeldmodellen worden ontwikkeld, die vanaf medio 2015 op de website te vinden zijn.
Voor de zelfevaluatie zal u kunnen gebruikmaken van een sjabloon dat aangeleverd wordt door het Departement WSE. Dit sjabloon zal op de website te vinden zijn.

Waar vind ik minimale indicatoren voor de rapportering in het duurzaamheidsverslag?

Deze indicatoren zullen in een Ministerieel Besluit worden bepaald. Dit ministerieel besluit zal beschikbaar zijn op deze website.

Hoe bezorg ik het jaarlijks duurzaamheidsverslag van mijn organisatie?

LDE-ondernemingen kunnen de duurzaamheidsverslagen elektronisch bezorgen aan het Departement WSE via de OWSE-toepassing.

Waarin verschilt het duurzaamheidsverslag van de zelfevaluatie?

Het duurzaamheidsverslag is een jaarlijkse rapportering waarin een onderneming zijn economische, ecologische, sociale en bestuurlijke prestaties bekend maakt Het duurzaamheidsverslag wordt vooral factueel en outcomegericht opgevat en focust zich op prestatie-indicatoren. (vb. welke duurzame resultaten boekt het bedrijf?)
Een zelfevaluatie is een systematische evaluatie van de processen, structuren en resultaten van de onderneming en wordt door de onderneming zelf uitgevoerd. De onderneming toont door middel van een zelfevaluatie aan hoe ze haar processen, structuren en resultaten bewaakt, beheerst en voortdurend verbetert.

Moet een LDE-onderneming een duurzaamheidsverslag aanleveren in hetzelfde jaar waarin de onderneming een zelfevaluatie indient?

Inderdaad, beide verslagen behandelen immers andere aspecten van het kwaliteitsbeleid. Bovendien biedt het duurzaamheidsverslag vaak een ondersteuning voor de opmaak van de zelfevaluatie.

 

Lokale dienst

Wat wordt verstaan onder lokale diensten?

Een lokale dienst in het kader van de lokale diensteneconomie is een maatschappelijk relevante dienstverlening waarvoor een lokale of een Vlaams bevoegde minister een opdracht verleend aan een lokale diensteneconomieonderneming. Binnen de lokale diensteneconomie zijn er twee types lokale diensten:
1. Lokale diensten binnen een Vlaams klaverblad: binnen een Vlaams klaverblad is de Vlaams minister bevoegd voor sociale economie verantwoordelijk voor het inschakelingstraject van doelgroepwerknemers en de financiering van deze trajecten. Een collega-minister binnen de Vlaamse Regering is bevoegd voor de lokale dienst of dienstverlening die gekoppeld wordt aan deze inschakelingstrajecten, bijvoorbeeld kinderopvang, logistieke hulp en aanvullende thuiszorg, energiesnoeiers,...
2. Lokale diensten met een opdracht van een lokaal bestuur: binnen een ‘lokaal klaverblad’ is de Vlaams minister bevoegd voor sociale economie verantwoordelijk voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemers en de financiering van deze trajecten. Het lokaal bestuur staat in voor de opdracht en de financiering van de lokale dienst. Een voorbeelden van lokale diensten binnen een lokaal klaverblad zijn sociale restaurants, onderhoud van openbare ruimte, vervoer van kwetsbare doelgroepen,…

Dien ik als LDE-onderneming steeds over een opdracht van een opdrachtgevende overheid te beschikken voor de uitvoering van de lokale diensten?

Dat is inderdaad het geval. Lokale diensteneconomieorganisaties dienen zowel te voorzien in inschakelingstrajecten als in maatschappelijk relevante, lokale diensten. De inschakelingstrajecten worden met andere woorden steeds gekoppeld aan de uitvoering van lokale diensten. De opdracht voor de inschakelingstrajecten wordt verleend door de Vlaamse minister bevoegd voor sociale economie. De opdracht voor de lokale diensten worden voorzien door een lokale of Vlaamse overheid. Indien er geen opdracht van een opdrachtgevende overheid is voor de uitvoering van een lokale dienst, kan deze opdracht niet uitgevoerd worden door doelgroepwerknemers die tewerkgesteld zijn binnen de lokale diensteneconomie.

Moet een lokale diensteneconomieonderneming een opdracht bezorgen aan het Departement WSE voor lokale diensten die de onderneming nu reeds uitvoert?

Dat is inderdaad het geval, voor elke lokale dienst die uitgevoerd wordt door doelgroepwerknemers in een inschakelingstraject moet er een opdracht bezorgd worden aan het Departement WSE.

Kunnen doelgroepwerknemers in een inschakelingtraject toegewezen in het kader van een Vlaams klaverblad ingezet worden voor de uitvoering van een lokale dienst in opdracht van een lokale overheid?

Dat kan niet. De inschakelingstrajecten toegewezen in het kader van een Vlaams klaverblad, kunnen niet ingezet worden voor de uitvoering van een opdracht verleend door een lokale overheid.

Wie kan bepalen of een lokale dienst een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) is?

Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen twee types lokale diensten:

  • Wat betreft de Vlaamse klaverbladen kan enkel een Vlaams bevoegde minister of de Vlaamse Regering bepalen of een lokale dienst een DAEB is.
  • Wat betreft de lokale klaverbladen kan enkel een lokaal bestuur, door middel van een beslissing van het schepencollege, de gemeenteraad of provincieraad, bepalen of een lokale dienst een DAEB is.

Wie kan een opdracht geven tot uitvoering van een lokale dienst? Wie kan een toewijzingsbesluit voor een lokale dienst geven?

Hierbij wordt het onderscheid gemaakt tussen twee types lokale diensten:
Wat betreft de ‘Vlaamse klaverbladen’ kan een Vlaams bevoegde minister een opdracht geven voor de uitvoering van lokale diensten die binnen de bevoegdheid van deze minister vallen. Structurele samenwerkingsverbanden tussen een Vlaams bevoegd minister en de minister bevoegd van sociale economie worden verankerd in een Besluit van de Vlaamse Regering. De bevoegde ministers maken een opdrachtverklaring op dat als toewijzingsbesluit dient van de lokale dienst. Voorbeelden van deze klaverbladen zijn bijvoorbeeld kinderopvang en logistieke hulp en aanvullende thuiszorg waar de Vlaams minister bevoegd voor welzijn, volksgezondheid en gezin voorziet in de opdracht en de financiering van deze lokale diensten. Een ander voorbeeld zijn de energiesnoeiers waarbij de Vlaamse minister bevoegd voor energie de opdracht en de financiering voor de lokale diensten voorziet.
Ook lokale overheden kunnen een opdracht geven voor een lokale dienst. Deze lokale diensten situeren zich binnen een ‘lokaal klaverblad’. Lokale overheden die een opdracht in het kader van DAEB kunnen geven, zijn bijvoorbeeld:

  • Schepencollege
  • Gemeenteraad
  • Provincieraad
  • OCMW-raad
  • Intergemeentelijk samenwerkingsverband
  • Personen die gemachtigd zijn om het lokaal bestuur juridisch te verbinden
  • ….

Voorwaarde is dat een lokaal bestuur (schepencollege of gemeenteraad) de lokale dienst als DAEB heeft gedefinieerd.

Hoe dient een lokaal bestuur een opdracht voor een lokale dienst aan een LDE-onderneming toe te wijzen?

Indien een lokaal bestuur een opdracht wil geven aan een Lokale diensteneconomieonderneming voor de uitvoering van een lokale dienst, dan dient het lokale bestuur deze lokale dienst te situeren binnen het Europese DAEB-besluit. Volgens de het Europese DAEB-besluit dient de lokale overheid een toewijzingsbesluit te bezorgen aan de lokale diensteneconomieonderneming. Met dit toewijzingsbesluit belast het lokaal bestuur de onderneming met de uitvoering van de DAEB en dus de lokale dienst.
Het toewijzingsbesluit is een officieel besluit van de lokale overheid. De Europese Commissie laat de lokale overheden vrij om de vorm van het DAEB-toewijzingsbesluit te bepalen. De enige voorwaarde is dat het toewijzingsbesluit een dwingend juridisch karakter moet hebben. Dat wil zeggen dat de partijen niet de mogelijkheid mogen hebben om bij de overeenkomst af te wijken van wat vastgelegd is in het toewijzingsbesluit.

Welke elementen omvat het toewijzingsbesluit? Waaruit bestaat een opdracht tot uitvoering van een lokale dienst door een lokale overheid?

De opdrachtgevende overheid legt in het toewijzingsbesluit vast:

  • De naam en het adres van de lokale diensteneconomieonderneming;
  • De duur van de beslissing;
  • De omschrijving van de lokale dienst;
  • Een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, de controle en de herziening van de compensatie;
  • De regeling om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
  • De opgaven van de wettelijke grondslag voor de dienstverlening;
  • De niet-overdraagbaarheid van de lokale dienst;
  • Een verwijzing naar het DAEB-besluit.

Hoe bepaal ik de parameters voor vergoeding? Hoe bepaal ik de parameters van de vergoeding als de lokale dienst nog niet aangeboden wordt?

Het DAEB-besluit eist dat in het toewijzingsbesluit de parameters worden vastgesteld om het compensatiebedrag te berekenen. Wanneer een onderneming een bepaalde DAEB begint te verrichten, is het vaak onmogelijk de kosten tot in de laatste details te kennen. Daarom eist het besluit ook niet dat vooraf een gedetailleerde berekening wordt gemaakt van wat bijvoorbeeld de prijs per dag is, per maaltijd, per terugbetaalbare zorgprestatie, per snoeibeurt,… wanneer dat niet mogelijk is. Het staat overheidsinstanties natuurlijk vrij om deze parameters nader aan te geven, wanneer zij dat willen. Het besluit eist alleen dat het toewijzingsbesluit de toekomstige berekeningsgrondslag voor de compensatie bevat; dus bijvoorbeeld of de compensatie wordt vastgesteld op basis van een prijs per dag, per maaltijd of, voor zorgprestaties, op basis van een raming van het aantal potentiële gebruikers, ...
De compensatie mag de aan het verrichten van de DAEB verbonden netto kosten dekken, met inbegrip van een redelijke winst. Deze redelijke winst mag niet meer bedragen dan het actuele SWAPrentepercentage, met een opslag van 100 basispunten. Meer informatie vindt u op: http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/swap_rates_en.html

Kan een lokaal bestuur de inschakeling/tewerkstelling en de begeleiding van de LDE-doelgroepwerknemer financieren?

Een lokale overheid kan de inschakeling/tewerkstelling en de begeleiding van een LDE-doelgroepwerknemer in een inschakelingstraject gedeeltelijk financieren. Gezien ook de Vlaamse overheid deze parameters financiert, dient het lokaal bestuur te controleren of het totaalbedrag aan ontvangen vergoedingen voor de inschakeling/tewerkstelling en begeleiding van de doelgroepwerknemer niet hoger is dan het totaalbedrag van de netto kosten die de DAEB-verrichter maakt. Deze controle op overcompensatie dient door het lokale bestuur te gebeuren. Indien de Vlaamse overheid vermoedt dat de vergoeding die het lokaal bestuur geeft voor de inschakeling/tewerkstelling en begeleiding van de doelgroep zorgt voor overcompensatie, wordt de vergoeding van het lokaal bestuur in mindering gebracht van de vergoeding voor het inschakelingstraject.
Het is voor het lokaal bestuur eenvoudiger om parameters voor de vergoeding te formuleren die betrekking hebben op de lokale dienst waarvoor zij een opdracht geven zonder de loonkost van de doelgroepwerknemers en begeleiders hierbij te verrekenen voor het gedeelte dat door het departement Werk en Sociale Economie is voorzien. Bijvoorbeeld:

  • Het aantal snoeibeurten bij het onderhoud van een park;
  • Prijs per geserveerde maaltijd in een sociaal restaurant;
  • ...

Kan een lokaal bestuur een lokale dienst als DAEB definiëren indien die dienst al op de markt wordt verricht door andere ondernemingen die niet met een DAEB zijn belast?

Wanneer er andere, onder normale marktvoorwaarden opererende ondernemingen zijn die niet met een DAEB zijn belast en die deze dienst al verrichten of op bevredigende wijze kunnen verrichten en op voorwaarden (zoals prijs van, objectieve kwaliteitskenmerken van, continuïteit van en toegang tot de dienst) die stroken met het algemeen belang, zoals door de lokale overheid omschreven, dan is het volgens de Europese Commissie niet passend om aan dit soort lokale dienst een opdracht te verbinden. Het is daarom van groot belang dat de lokale overheid bij het verlenen van een opdracht voor de uitvoering van een lokale dienst aan een lokale diensteneconomieonderneming de specifieke kenmerken van de betrokken lokale dienst aangeeft. Belangrijk hierbij zijn de voorwaarden waaraan de lokale dienst moet voldoen en het doelpubliek van de dienst.
Wordt de lokale dienst al op de markt verricht, maar onder omstandigheden die het lokale bestuur onbevredigend vindt, vb. naar kwaliteitsniveau of kostprijs voor de doelgroep, dan kan de lokale overheid deze lokale dienst als DAEB definiëren.
Wanneer de dienst nog niet door de markt wordt aangeboden, staat het de lokale overheid vrij om de lokale dienst als DAEB te definiëren.

Moet een lokaal bestuur kiezen voor de lokale diensteneconomieonderneming die de lokale dienst het goedkoopst kan uitvoeren?

Nee, dat is geen voorwaarde volgens het DAEB-besluit. Het is aan de lokale overheid om te bepalen welke opdrachten zij willen verlenen, ook en vooral met betrekking tot de kwaliteit van de lokale diensten. Ligt de kwaliteit hoger, dan mag de vergoeding om deze dienst te verrichten ook hoger zijn. De vergoeding kan maximaal alle kosten dekken die de betrokken lokale diensten economieonderneming daadwerkelijk heeft gemaakt.

Klopt het dat een lokaal bestuur, wanneer zij een dienst als DAEB formuleert, niet meer de regels inzake overheidsopdrachten moet naleven?

Dat klopt niet. De toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten moeten worden nageleefd. Wel is naleving van de regels inzake overheidsopdrachten geen voorwaarde om het DAEB-besluit te kunnen toepassen.

Dient een onderneming die zich wenst aan te melden als lokale diensteneconomieonderneming reeds te beschikken over een opdracht van een opdrachtgevende overheid?

Nee, dat is niet het geval. Een lokale diensteneconomieonderneming kan zich aanmelden zonder een opdracht van een opdrachtgevende overheid. Op het moment van de oproep tot toekenning van de inschakelingstrajecten dient een lokale diensteneconomieonderneming over een opdracht van een opdrachtgevende overheid te beschikken.

Wordt het aanvullend karakter van de lokale diensten nog getoetst door het departement WSE?

Nee dat is niet meer het geval. Deze procedure wordt vervangen door de impactanalyse die door de opdrachtgevende overheid moet worden opgemaakt en de advisering van deze impactanalyse door de stakeholders, waaronder minimaal de socio-economische stakeholders (vakbonden en werkgeversorganisaties).

Is een impactanalyse in het kader van de lokale diensteneconomie?

Een impactanalyse is een gestructureerde analyse van de beoogde doelstelling en verwachte effecten van de lokale dienst die de overheid, zelf of samen met een lokale diensteneconomieonderneming, wenst op te zetten. De impactanalyse stelt de lokale overheid in staat om de gevolgen van de lokale dienst op bijvoorbeeld de huidige tewerkstelling of de budgettaire impact in te schatten. De impactanalyse heeft tot doel:

  • De opdracht van de lokale dienst te onderbouwen;
  • Transparantie te bieden naar de stakeholders;
  • Het langetermijnkarakter van de opdracht te duiden.

Aan de hand van een impactanalyse gaat de opdrachtgevende overheid na of de lokale diensten die ze wil toekennen, voldoet aan de voorwaarden. De impactanalyse wenst:

  • de dienstverlening te situeren binnen het gevoerde beleid van het lokaal bestuur;
  • een analyse van de effecten van de dienstverlening te situeren, waaronder minimaal:
    • de impact van de lokale dienst;
    • de impact van de lokale dienst op de bestaande tewerkstelling en de creatie van nieuwe tewerkstelling;
    • een omschrijving van de beoogde doelgroep van de lokale dienst;
    • de budgettaire impact;
    • de impact op het lokale bestaande aanbod van de lokale dienst;
  • het lange termijnperspectief van de dienstverlening te kaderen
  • de verhouding tot het Vlaamse beleid terzake te duiden.

Na de voorafgaande impactanalyse beslist de opdrachtgevende overheid dat de dienstverlening voldoet aan de voorwaarden. In casu is dit de Vlaamse Regering, de bevoegde Vlaamse minister, het college van burgemeester en schepenen, gemeenteraad, de OCMW raad, de provinciale deputatie of een persoon gemachtigd om het lokaal of bovenlokaal bestuur rechtsgeldig te verbinden.
De impactanalyse en de opdracht dient vervolgens ter advies voorgelegd worden aan de stakeholders, waaronder minimaal de vakbonden en wekgeversorganisaties worden vestaan.

Wie dient de impactanalyse op te maken?

Ingeval het lokale bestuur (gemeenteraad, schepencollege of provincieraad) zowel de lokale dienst als DAEB aanmerkt als de opdracht geeft voor de lokale dienst, dan dient het betreffende lokale bestuur de impactanalyse op te maken.
Indien het lokale bestuur (gemeenteraad, schepencollege of provincieraad) enkel de lokale dienst als DAEB definieert en zelf niet de opdracht geeft voor de lokale dienst, maar dit overlaat aan bijvoorbeeld de OCMW-raad, een intergemeentelijk samenwerkingsverband,…, dan dient het lokaal bestuur die de DAEB definieert de impactanalyse op te maken. Indien meerdere lokale besturen betrokken zijn, dan kan bijvoorbeeld het intergemeentelijk samenwerkingsverband een gecoördineerde impactanalyse maken.

Waar kan ik het sjabloon voor de impactanalyse vinden?

Het sjabloon voor de impactanalyse wordt beschikbaar gesteld op deze link: http://www.werk.be/online-diensten/tewerkstelling-en-sociale-economie/lokale-diensteneconomie/formulieren-en-documenten

Welke fora komen in aanmerking voor het advies van de lokale socio-economische partners over de opdracht en de impactanalyse?

De lokale overheid kan zelf kiezen op welk fora ze de impactanalyse en de opdracht van een lokale dienst ter advisering aan de vakbonden en werkgeversorganisaties voorlegt.
Volgende fora komen onder andere in aanmerking:

  • Forum lokaal werkgelegenheidsbeleid
  • RESOC
  • SERR
  • ...

Welk forum moet geraadpleegd worden indien de lokale dienst gemeente overschrijdend wordt georganiseerd?

Indien de lokale dienst gemeente-overschrijdende wordt georganiseerd, wordt de impactanalyse en de opdracht van de lokale dienst ter advies voorgelegd aan het regionaal sociaal overleg.

 

Indicering doelgroepwerknemers

Wat is indicering?

Onder indicering verstaan we het onderzoek door de VDAB om na te gaan of een werkzoekende erkend kan worden als een persoon met een arbeidsbeperking (PmAB). Die erkenning is nodig om een recht op specifieke maatregelen, zoals maatwerk of LDE, te kunnen openen. Te weten is wel dat dergelijk recht pas kan resulteren in een vergoeding als er effectief sprake is van tewerkstelling bij een maatwerkbedrijf, maatwerkafdeling of lokale diensteneconomieonderneming.

Hoe verloopt het indiceringsproces bij een potentiële doelgroepwerknemer?

De VDAB zal bij een werkzoekende met een vermoeden van een arbeidsbeperking nagaan of een recht op lokale diensteneconomie (of andere maatregel zoals bijvoorbeeld maatwerk) toegekend kan worden. Deze indicering gebeurt aan de hand van het ICF-instrument. Het ICF-instrument brengt aan de hand van de classificatie van gezondheids(gerelateerde) problemen het functioneren van een persoon in kaart. De VDAB bepaalt op basis van dit instrument de afstand van een werkzoekende tot de arbeidsmarkt en de individuele behoefte tot ondersteuning. Eens deze persoon op basis van dit onderzoek zijn recht op lokale diensteneconomie verworven heeft, blijft dit attest gedurende vijf jaar geldig.
Indien een werkzoekende met recht op lokale diensteneconomie in aanmerking komt voor een openstaande vacature in een LDE-onderneming, wordt een vergoeding voor het inschakelingstraject toegekend. Vanaf de effectieve tewerkstelling ontvangt de onderneming een vergoeding voor de doelgroepwerknemer.

Hoe bepaalt de VDAB de ondersteuningsbehoefte als potentieel doelgroepwerknemer?

Zie de website van VDAB: link.

Kan een doelgroepwerknemer meerdere rechten tegelijk combineren?

Het is niet mogelijk om meerdere rechten te combineren (vb. maatwerk, LDE, VOP). Op basis van het indiceringsonderzoek zal aan de werkzoekende één recht worden toegekend dat aansluit bij het persoonlijke profiel.

Hoe verloopt de toeleiding van doelgroepwerknemers naar een werkgever?

Lokale diensteneconomieondernemingen geven een openstaande vacature voor een doelgroepwerknemer door aan de VDAB. Deze aangifte verloopt elektronisch via de MVAC-module (Master Vacature). Vervolgens zal de lokale VDAB-dienst een pool van geïndiceerde kandidaten voorleggen aan de onderneming, van waaruit selectiegesprekken en aanwerving mogelijk zijn. Een lokale diensteneconomievacature wordt niet online openbaar gepubliceerd.

Kunnen lokale diensteneconomieondernemingen zelf werkzoekenden voorstellen aan de VDAB voor invulling van een openstaande vacature?

Ondernemingen kunnen potentiële doelgroepwerknemers voorstellen aan de VDAB, op voorwaarde dat deze persoon over een recht op lokale diensteneconomie beschikt.
Indien de werkzoekenden nog niet over een recht op lokale diensteneconomie beschikken, dan moet de VDAB deze personen eerst indiceren, vooraleer ze ingeschakeld kunnen worden in een inschakelingstraject en een vergoeding kunnen ontvangen.

Hoe bepaalt VDAB de nood aan ondersteuning?

De VDAB bepaalt de noodzakelijke ondersteuning aan de hand van het ICF-instrument. Dit brengt iemands functioneren in kaart op basis van vijf componenten die een beter zicht op het functioneren van een persoon bieden:

  • ziekte/stoornis (vb. autisme);
  • functies en anatomische eigenschappen (vb. psychische stabiliteit en tijdsmanagement);
  • activiteiten en participatie (vb. mobiliteit, omgaan met stress, reguleren van gedrag en emoties);
  • omgevingsfactoren (vb. ondersteuning en relatie met collega’s, naaste familie en meerderen);
  • persoonlijke factoren (vb. geslacht, werkervaring, opleiding).

In totaal worden 43 aspecten gemeten naar hun probleemgraad.

Indien ik als werkzoekende of als lokale diensteneconomieonderneming niet akkoord ga met de indicering van VDAB, kan ik dan beroep aantekenen?

Indien de werkzoekende/doelgroepwerknemer of de lokale diensteneconomieonderneming het niet eens is met de indicering of de evaluatie van de VDAB, dan kan zowel de werkzoekende/doelgroepwerknemer als de lokale diensteneconomieonderneming een verzoek indienen tot heroverweging van de nood aan ondersteuning. Dit verzoek kan ingediend worden bij de VDAB. Na behandeling van het dossier zal de VDAB het resultaat van de heroverweging en de beroepsprocedure via een aangetekende brief meedelen aan de indiener van het verzoek. Als de indiener zich niet kan vinden in het resultaat van de heroverweging, dan kan hij binnen twee maanden na verzending van de aangetekende brief een verzoekschrift indienen bij de arbeidsrechtbank.

Hoelang blijft een recht op lokale diensteneconomie geldig?

Een recht op lokale diensteneconomie blijft 5 jaar geldig.

Het advies lokale diensteneconomie vervalt na 5 jaar volledige werkloosheid. Wat als een doelgroepwerknemer in tussentijd tijdelijk gewerkt heeft maar dan niet bij een LDE-onderneming?

Het recht om te werken binnen de lokale diensteneconomie blijft vijf jaar geldig, ondanks de periode van tewerkstelling.

Komen doelgroepwerknemers uit Brussel in aanmerking voor een inschakelingstraject in de lokale diensteneconomie?

Brusselse werkzoekenden kunnen toegeleid worden naar een inschakelingstraject binnen een lokale diensteneconomieonderneming in Vlaanderen. Ook voor deze doelgroepwerknemers in een inschakelingstraject wordt een vergoeding voorzien.

Een werknemer beschikt over een VOP. Kan deze werknemer toegeleid worden naar een inschakelingstraject lokale diensteneconomie?

Een combinatie van het recht op lokale diensteneconomie en het recht op VOP is niet mogelijk. Indien men een aanpassing wenst van zijn VOP-statuut naar een recht op lokale diensteneconomie, moet er een indicering door de VDAB plaatsvinden. Een onderneming kan bovendien uitsluitend een vergoeding ontvangen indien ze erkend is als lokale diensteneconomieonderneming én een contingent aan inschakelingstrajecten toegewezen kreeg.

 

POP

Welke elementen moeten minimaal in het persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) aanwezig zijn?

Het persoonlijk ontwikkelingsplan omvat een actieplan op maat van de doelgroepwerknemer met daarin minimaal:

  • zijn persoonsgegevens;
  • zijn huidige generieke en technische competenties;
  • zijn toekomstige generieke en technische competenties;
  • de opgave van een verbeteractie met betrekking tot zijn generieke competenties;
  • de opgave van een verbeteractie met betrekking tot zijn technische competenties.

Specifiek voor personen tewerkgesteld binnen een LDE-initiatief moet de competentieversterking gericht zijn op doorstroom. Wanneer acties in het actieplan specifiek gericht zijn op doorstroom, dient de begeleider dit aan te geven in het POP-sjabloon (xlsx / 0.07 MB). Indien er geen specifieke acties in functie van doorstroom genomen werden, dient de begeleider dit te motiveren in het POP-sjabloon (xlsx / 0.07 MB) (bijvoorbeeld bij 60 plussers).

 

Wat wordt begrepen onder technische competenties?

Generieke competenties zijn de competenties die betrekking hebben op de wijze waarop de doelgroepwerknemer omgaat met informatie, taken, relaties en het eigen functioneren op de werkvloer in een concrete dagelijkse werksituatie. De generieke competenties behoren eerder tot de persoon dan tot het beroep. Omwille van hun algemeenheid zijn deze vaardigheden in zeer veel beroepen waardevol. Voorbeelden zijn: contactvaardigheid, empathie, stressbestendigheid, verantwoordelijkheidszin, …

Wat wordt begrepen onder technische competenties?

Technische competenties zijn die competenties die noodzakelijk zijn om de verwachte resultaten die eigen zijn aan een welbepaalde functie te realiseren. Voorbeelden zijn: rekenkundig inzicht, fietsherstelling, schoonmaaktechnieken, …

Dekt het sjabloon uit de ESF tender POP de vereisten van de regelgeving af?

Ja, het sjabloon uit de ESF tender POP dekt de vereisten van de regelgeving af. Wanneer u dit sjabloon correct gebruikt (xlsx / 0.07 MB) bij de opmaak van een POP, voldoet u aan de vereisten van de regelgeving.

Is het verplicht om dit POP sjabloon uit de ESF tender POP te gebruiken?

Het is niet verplicht om het sjabloon (xlsx / 0.07 MB) uit de ESF tender POP te gebruiken. Wel dient elk POP-gesprek een schriftelijke neerslag te hebben, met daarin minimaal de elementen zoals hoger omschreven.

Waar moet het POP geregistreerd worden?

Het maatwerkbedrijf, de maatwerkafdeling en de LDE onderneming registeren het persoonlijk ontwikkelingsplan, alsook elke wijziging ervan, in de databank die de VDAB daarvoor beheert. De databank is raadpleegbaar via het vertrouwelijk luik van ‘Mijn Loopbaan’ (link naar toelichtinghttp://partners.vdab.be/cvs/projecten_collectiefmaatwerk.shtml).

Er zijn geen technische beperkingen in het soort format (Excel, PDF, WORD) noch in grootte van de bestanden. Hou er wel rekening mee dat bedrijfseigen applicaties niet altijd te openen zijn met de standaardprogramma’s.

De VDAB kan het persoonlijk ontwikkelingsplan raadplegen met het oog op de evaluatie.

Welke plaats zal het POP innemen bij evaluatie door de VDAB?

Het persoonlijk ontwikkelingsplan vormt NIET de basis voor evaluatie door de VDAB. Het ICF-instrument vormt de basis voor elke evaluatie door de VDAB. Daarnaast zal de VDAB, in samenspraak met de begeleider en de doelgroepwerknemer, naar de POP teruggrijpen om een correcte inschatting van de profiel-evolutie te maken.

Moet er voor elke doelgroepmedewerker jaarlijks een POP opgemaakt worden?

Het is verplicht om (vanaf 2018) voor elke (dus niet enkel voor diegene die geëvalueerd zullen worden) doelgroepmedewerker jaarlijks een POP op te maken, dit in functie van het opvolgen van zijn/haar competenties met het oog op zijn/haar functioneren op de werkvloer en zijn/haar kansen op doorstroom. Het is tevens verplicht om de POP op te laden in de databank van de VDAB.

Wat als een doelgroepmedewerker geen POP gesprek wil of kan voeren?

We maken een onderscheid tussen drie mogelijke situaties:

  • de medewerker weigert een POP gesprek: het werken aan persoonlijke ontwikkeling is een (subsidie)voorwaarde om in een maatwerkbedrijf/maatwerkafdeling/LDE onderneming aan de slag te kunnen gaan. Indien een persoon weigert dit te doen, kan de werkgever zelf een POP opladen en hierin aangeven dat dit uitsluitend zijn visie is, aangezien de medewerker weigert.
  • de medewerker wenst de werkgever geen toegang te verlenen tot het vertrouwelijk luik in zijn loopbaandossier bij VDAB waardoor de werkgever het POP niet kan opladen:
    • het maatwerkbedrijf vraagt de VDAB-deskundige om een gesprek te hebben met de medewerker om hem/haar het concept van vertrouwelijk luik uit te leggen;
    • Indien de werknemer de werkgever nog geen toegang wil geven, wordt gevraagd aan de doelgroepwerknemer om het POP zelf op te laden in het vertrouwelijk luik;
    • De werkgever kan altijd zelf een POP opladen en hierin aangeven dat dit uitsluitend de visie van de werkgever is, dat de medewerker niet wil dat het POP waar men samen aan werkte in het vertrouwelijk luik wordt opgeladen.
  • de medewerker kan geen POP gesprek voeren. Er zijn meerdere opties/mogelijkheden om met persoonlijke ontwikkeling aan de slag te gaan en of een POP gesprek te voeren (zie ook draaiboek ad-forum). Gezien het sjabloon (xlsx / 0.07 MB) niet verplicht is, kan gezocht worden naar de meest geschikte vorm, passend bij de doelgroepmedewerker.

 

Wie heeft inzage in het POP-dossier dat opgeladen is in Mijn Loopbaan?

Enkel de werkgever en bemiddelaar hebben inzage in het POP-dossier eens dat opgeladen is in Mijn Loopbaan. De werknemer mag altijd contact opnemen met de bemiddelaar om documenten te bespreken. Hij kan de POP ook bekijken met de werkgever.

Hoe krijgt een onderneming toegang tot het vertrouwelijk luik?

Zie partnerlink waarbij de werkgever toegang vraagt tot het vertrouwelijk luik: https://partners.vdab.be/partners/cvs/projecten_collectiefmaatwerk.shtml

Eens opgeladen, kan een POP dan nog aangepast worden?

De laatste versie van het document kan je downloaden, aanpassen en terug opladen. Alle bestanden blijven altijd bewaard.

Wat gebeurt er als een werknemer van werkgever verandert?

Per werkgever geeft de werknemer toestemming om inzage te krijgen in het vertrouwelijk luik. De werkgever kan enkel documenten zien die hij zelf heeft opgeladen en niet diegene die door een andere werkgever werden opgeladen.

Nuttige links:

 

 

Vacatures

Waar meld ik vacatures als LDE-onderneming?

Opdat de VDAB geschikte kandidaten kan toeleiden, wordt elke openstaande vacature door een onderneming ingevoerd in de MVAC-module. Nadat de onderneming alle benodigde vacaturegegevens ingevuld heeft, zal de VDAB een pool van kandidaat-doelgroepwerknemers voorstellen. De vacatures worden niet openbaar gepubliceerd.

Wat is MVAC?

MVAC, Master VAC of Master Vacature is het VDAB-portaal waar ondernemingen vacatures kunnen publiceren.

Welke vacaturegegevens bezorgt een LDE-onderneming aan de VDAB?

Een LDE-onderneming zal eerst een samenwerkingsakkoord afsluiten met VDAB om toegang te verkrijgen tot de MVAC-module (Master Vacature). De openstaande vacature vermeldt onder meer: functietitel, functiegegevens, en gevraagde competenties. Afhankelijk van de specifieke gegevens (vb. aard van het werk, graad van onafhankelijk werken, etc.) kan VDAB kandidaat-werknemers toeleiden die nauw aansluiten bij het gevraagde profiel.

Moet ik als werkgever de doelgroepwerknemers een contract van onbepaalde duur aanbieden?

Deze bepaling staat niet langer opgenomen in het nieuwe decreet lokale diensteneconomie. Het staat de werkgever vrij om de doelgroepwerknemer een contract van bepaalde dan wel onbepaalde duur aan te bieden.

Moet een vermeerdering van contractuele uren (bijvoorbeeld bij de uitbreiding van een halftijds contract naar een voltijds contract) ook via een vacature bij VDAB verlopen?

Nee, dat hoeft niet. Indien de uitbreiding van het contract gebeurt bij dezelfde gelabelde lokale diensteneconomieonderneming (zie ook vraag 2.1) dan hoeft er geen nieuwe vacature gepubliceerd te worden in de MVAC-module. Een aanpassing van het contract zal automatisch via de DmfA worden doorgegeven. Een aanpassing van de vergoeding gebeurt in de kwartaalafrekening.
Indien de vermeerdering van contractuele uren het aantal toegewezen inschakelingstrajecten overstijgt, wordt de vergoeding afgetopt op het aantal toegewezen inschakelingstrajecten en/of het overeenkomstig budget.

Kunnen artikel 60’ers toegeleid worden naar lokale diensteneconomie?

Ja, dat kan. Artikel 60’ers kunnen inderdaad toegeleid worden naar een inschakelingstrajecten binnen de lokale diensteneconomie.

Wat is de termijn voor vervangingen van doelgroepwerknemers?

Er is geen vervangingstermijn opgenomen in het decreet en het besluit lokale diensteneconomie.
Ieder derde kwartaal van het jaar zal de invulling van de inschakelingstrajecten van het voorgaande kalenderjaar gemeten worden. Aan de hand van de contractuele prestatiebreuk wordt de invulling op kwartaalbasis berekend, en omgezet naar een jaarlijks gemiddelde. Schommelingen tussen kwartaalinvullingen zijn mogelijk, zo lang het jaarlijks gemiddelde minimum 90% bedraagt.
Bij lokale diensteneconomieonderneming met een lagere invulling zal het verschil in percentages tussen de werkelijke invullingsgraad en 90% verminderd worden in het toegekende contingent. Dit vrijgekomen contingent wordt herverdeeld in een oproep.

Moet een lokale diensteneconomieonderneming wachten met het aanwerven van doelgroepwerknemers, indien de onderneming nog geen inschakelingstrajecten kreeg toegewezen?

Een lokale diensteneconomieonderneming kan steeds doelgroepwerknemers met een recht op lokale diensteneconomie aanwerven. Maar de LDE-onderneming zal voor deze personen geen ondersteunende maatregelen ontvangen, zolang de onderneming niet over een erkend contingent beschikt. Een contingent wordt toegewezen via oproepen.

 

Vergoeding

Welke vergoeding staat er tegenover het aanbieden van een inschakelingstraject?

De vergoeding bedraagt maximaal 12.600 euro per voltijds equivalent tewerkgestelde doelgroepwerknemer per jaar.

Kan de lokale diensteneconomieonderneming nog steeds beroep doen op een loon- en omkaderingspremie?

Nee, deze zitten vervat in de inschakelingsvergoeding.

Is de vergoeding van het inschakelingstraject gebonden aan de prestaties van de doelgroepwerknemer?

De vergoeding voor het inschakelingtraject houdt rekening met de contractuele prestatiebreuk uit DmfA – aangifte. Met andere woorden, er wordt rekening gehouden met de werkelijke invulling op het niveau het arbeidscontract van uw LDE project in het betreffende kwartaal maar niet met de werkelijk gepresteerde uren van de doelgroepwerknemers.

Welke vergoeding krijgt de lokale diensteneconomieonderneming tijdens de overgangsperiode?

Om de LDE-organisaties de kans te bieden zich in te schakelen in de nieuwe regelgeving werd naast een inhoudelijke overgangsperiode ook een financiële overgangsperiode voorzien. Tijdens de overgangsperiode wordt gewerkt met een tijdelijke vaste vergoeding. Dit bedrag werd vastgelegd in de ministeriële beslissing van 17 juli 2015 voor 2015 en de ministeriële beslissing van 16 maart 2016 voor 2016. Deze beslissingen werden u per mail verstuurd.

Worden er maandelijkse of kwartaalvoorschotten gegeven?

De inschakelingsvergoeding wordt uitbetaald aan de lokale diensteneconomieonderneming in twaalf maandelijkse voorschotten en een afrekening op kwartaalbasis.

Hoe wordt het maandelijks voorschot berekend?

Het voorschot is een maandelijkse voorafbetaling op de vergoeding van het inschakelingstraject LDE. Het voorschot wordt berekend door het subsidierecht van het jaar te delen door het aantal dagen van het jaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen van de betrokken maand. Deze vergoeding omvat de voormalige loon- en omkaderingspremie.

U kan het voorschot berekenen aan de hand van volgende formule:

Overgangsperiode:
bedrag tijdelijke vergoeding / aantal dagen in jaar * aantal dagen in de maand

Nieuwe regelgeving:
subsidierecht [12 600 * ingevuld contingent (VTE)] / aantal dagen in het jaar * aantal dagen in de maand

De invulling wordt gemeten op basis van de door de werkgever in de door VDAB ter beschikking gestelde toepassing (MVAC) opgenomen gerealiseerde aanwervingen.

De betalingen worden tekens omstreeks de 10de van de maand uitgevoerd met volgende mededeling:

Voorschot.LDE.jaartal.maand(uw toekenningsnummer).

Hoe wordt de kwartaalafrekening berekend?

De kwartaalafrekening geeft het verschil tussen de verkregen voorschotten en het subsidierecht Door de berekening met toepassing van authentieke bronnen, dimona en dmfa, zullen de kwartaalafrekening in de nieuwe regelgeving later gebeuren dan voorheen.

De betalingen worden uitgevoerd met volgende mededeling:

Afrekening.jaartal.kwartaal.(uw toekenningsnummer).

U kan de kwartaalafrekening ook zelf berekenen aan de hand van volgende formule:

Overgangsperiode:
bedrag tijdelijke vergoeding / aantal dagen in jaar * aantal dagen in de kwartaal

Nieuwe regelgeving:
subsidierecht [12 600 * ingevuld contingent (VTE)] / aantal dagen in het jaar * aantal dagen het kwartaal

De invulling wordt gemeten op basis van de contractuele prestatiebreuk die ons vanuit de DMFA aangifte wordt meegedeeld.

Op welke dag ontvangt de lokale diensteneconomieonderneming het voorschot?

De voorschot betalingen worden telkens omstreeks de 10de van de maand uitgevoerd met volgende mededeling:

Voorschot.LDE.jaartal.kwartaal.maand.(uw toekenningsnummer)

Zal het departement de afrekening maken op jaar- of kwartaalbasis?

De inschakelingsvergoeding wordt uitbetaald aan de lokale diensteneconomieonderneming in twaalf maandelijkse voorschotten en een afrekening op kwartaalbasis. Er is geen jaarafrekening binnen LDE.

 

Contact

Dienst Sociale Economie en Duurzaam Ondernemen - Lokale Diensteneconomie

Organisatie: 
Departement Werk en Sociale Economie
Contactpersoon: 
Dienst Sociale Economie en Duurzaam Ondernemen
Gebouw: 
Ellipsgebouw
Straat + nr: 
Koning Albert II laan 35 bus 21
Postcode: 
1030
Gemeente: 
Brussel
Telefoon: 
02 553 43 50